Archief 2017

1
Proeven van taal: het soort die
2
’n Fijn klein festival in Oudorp
3
Over streektaalgrenzen heen
4
Proeven van taal: het zojuist gepresenteerd akkoord
5
Waarom zijn mijn webteksten goedkoop?
6
Proeven van taal: Had bij de NOS
7
Bier in Den Helder
8
Kiezen voor Duits bier
9
Bierrecensie: Rampzalig (Vlielands bier)
10
’n Uitstapje naar ’t Harlingers

Proeven van taal: het soort die

Waar gehakt wordt, vallen spaanders. ’n Taalfout is dan ook best te vergeven, zeker als je weet dat iemand veel moet schrijven en nog snel ook – journalisten moeten nu eenmaal heel wat hakken. Tegelijk slaat ook de kritische lezer de plank wel ‘ns mis. Dan lees ik iets waarvan ik denk: “hé, dat is fout”, om meteen daarna alweer te bedenken: “nee, toch niet, het lijkt maar zo.” Vandaag gebeurde het allebei: ik vergiste me en zag tegelijk tóch een taalfout.

woordgeslacht

Het gaat om bovenstaande zin. “Het merkwaardige is dat de nieuwe apensoort meer lijkt op het soort die leeft op Borneo,” schrijft de NOS, en al lezende bleef mijn oog hangen op “het soort”. Ja, dat kan ook, ik was me er meteen wel van bewust: “het soort” is niet fout. Toch had ik “de soort” verwacht. Beide versies zijn correct, tot zover is er dus eigenlijk juist geen probleem, ik was zelf overijverig.

Maar dan: die. Er staat: “het soort die”. Dat gaat toch zeker niet, je kunt naar een het-woord alleen met dat verwijzen en nooit met die. Hier is er dus toch ’n fout in het stukje geslopen, een fout die tegelijk lijkt te spelen met mijn eigen verwarring: is het nu “de” of “het soort”? Alsof de journalist gedacht heeft: ik doe het maar gewoon allebei, ik schrijf “het soort die”. Volgende keer “de soort dat”?

’n Fijn klein festival in Oudorp

oudorpOudorp is de dorpse kant van Alkmaar. Nu is Alkmaar zelf ook al best dorps, zeker voor wie ‘r wel ‘ns ’n biertje drinkt, maar Oudorp is net even idyllischer en ook net even gemoedelijker. Dat bleek vandaag ook weer op het Oudorps bierfestival, gewoon in zaal Meereboer, gewoon achter Bar Nico (de plezierige dorpskroeg), gewoon naast de kerk en gewoon naast de Chinees – het had alles en daarom was ’t zo fijn.

Klein gehouden

De kleinschaligheid is de kracht van dit festival en daar is de organisatie zuinig op. De locatie is bescheiden: een groot vierkant met ’n muurtje halverwege, een bar in de hoek (meteen ook spoelpunt) en toiletten bij de ingang. Voor het gevoel namen de kraampjes van de brouwers eigenlijk net zo veel ruimte in als er voor de bezoekers over was. ’n Mooi evenwicht. Het publiek was nooit boventallig, we konden mekaar verstaan (ook in het West-Fries); gevarieerd was het wel, van jong tot oud, van man tot vrouw, van joôn tot moid.

Oudorps bier

Bierstad Alkmaar zegeviert, maar minimaal in Oudorp. Natuurlijk, er is wel ‘ns Zeglis bij Bar Nico en de Spar heeft allerlei lokale biertjes; De Die heeft z’n postadres in de Oudorperpolder, wat zeg ik, ze zijn bijna mijn buren. Maar alleen De Vis heeft ook z’n brouwerij in ’t dorp. Zij hebben ’n bescheiden installatie staan op het Oudorper bedrijventerrein. Voor mij waren ze de verrassing van het festival, al was het maar omdat ze in het Alkmaarse bierdorp nog niet zo bekend zijn. Verderlezen…

Over streektaalgrenzen heen

Als bierliefhebber bezoek ik regelmatig bierfestivals, als thuisdialectoloog voortaan ook taalconferenties. Gisteren was ik in Amsterdam voor een streektaalconferentie – dat is een soort festival met in plaats van bier lezingen, en in plaats van bierliefhebbers taalkundigen om mee te praten. Voor mij toch wel gefundenes Fressen, zoiets. Ik heb er ′n welbestede dag gehad.

De titel van de conferentie luidde: De wondere wereld van streektaalgrenzen en over de grenzen tussen dialecten, en over de grenzen tussen taal en dialect, gingen de lezingen, die werden afgesloten met een debat.

streektaalconferentieZoeken naar streektaalgrenzen

Het ochtendprogramma was gevuld met lezingen over dialectverschijnselen en hun verspreiding, met daarbij de vraag of die verschijnselen harde streektaalgrenzen konden opleveren. De actualiteit van het Catalaanse referendum gaf die vraag nog wat welkome urgentie. Kun je op basis van wat taalverschijnselen werkelijk grenzen trekken? Ja, je kunt kaarten tekenen, met isoglossen, met kruisverbanden, Wilbert Heeringa van de Fryske Akademy liet er prachtige zien. Maar zijn dat nu echt de taalgrenzen zoals we die voelen?

In de lezing van Jos Swanenberg werd ′n mooi praktijkvoorbeeld gegeven uit Noord-Brabant. De dialectkaart van die provincie, getekend door de grootmeester Weijnen, bestaat uit een wirwar van dialectgrenzen. De meeste van die dialectgebieden delen tenminste de kenmerken van het Brabants (even los van wat die zijn), maar er zijn twee uitzonderingen. In Willemstad en omgeving worden dialecten gesproken die eerder Hollands dan Brabants zijn, en in Budel wordt, als we naar de kenmerken kijken (bv. toononderscheid, ich voor „ik”) een Limburgs dialect gesproken. Toch ervaren de heemkundigen uit Budel hun dialect nog als Brabants en ook de provincie noemt álle dialecten in haar verzorgingsgebied Brabants. Is de dialectgrens dan louter een politieke? Verderlezen…

Proeven van taal: het zojuist gepresenteerd akkoord

Er is een regeerakkoord! Tegelijk is er ook interessante taal bij de NOS:

bijvoeglijk-naamwoord

“Het zojuist gepresenteerd akkoord”, daar ontbreekt voor mijn aanvoelen een -e. Ik zou zeggen: “het zojuist gepresenteerde regeerakkoord”. Nu gaat het om heel vers nieuws, dus dit kan een slordigheidje zijn; dat is de NOS natuurlijk vergeven. Maar er kan ook meer aan de hand zijn.

Sterke en zwakke bijvoeglijke naamwoorden

In het Nederlands eindigen bijvoeglijke naamwoorden meestal op een -e, tenzij ze tussen “een” en een onzijdig woord staan: “een mooi huis”, “een lang verhaal”, “een zojuist gepresenteerd regeerakkoord”. Ook als er helemaal geen lidwoord is, heeft het bijvoeglijk naamwoord deze vorm, maar alleen voor het-woorden: “Mooi huis hoor,” zeg je, maar ook: “mooie fiets.” Verderlezen…

Waarom zijn mijn webteksten goedkoop?

Mijn tarieven staan openbaar op mijn website. Dat is natuurlijk handig voor eventuele opdrachtgevers, die weten dan direct waar ze aan toe zijn. Afschrikwekkend zijn ze niet, die tarieven: het valt mensen juist op dat mijn webteksten goedkoop zijn. Dat roept soms vragen op. Waarom ben ik zo goedkoop? Als ik zo goed ben, waarom vraag ik dan niet meer?

webteksten-goedkoopHet geluk van een vlotte pen

Goedkoop is ook maar relatief. Ik kijk natuurlijk ook gewoon naar wat ik per uur ongeveer moet binnenhalen om aan het eind van de maand niet rood te staan. Met mijn huidige tarieven haal ik daarvoor voldoende binnen, vind ik. Ik heb namelijk een vlotte pen. Ik doe geen uur over honderd woorden, ik schrijf aan een stevige snelheid, de woorden komen als het ware vanzelf.

Met één beperking: ik kan het niet tien uur aan een stuk doen. Zes uur is voor mij een werkdag, als ik langer doorwerk gaat de snelheid omlaag en ook de kwaliteit. Daar begin ik natuurlijk niet aan.

Maar de kwaliteit die ik wil leveren, kan ik als tekstschrijver redelijk snel leveren, dankzij mijn vlotte pen. En dus kan ik ook relatief goedkoop zijn. En ik wíl dat ook, goedkoop zijn, want dat maakt mijn teksten effectief.

Goedkope webteksten: effectief

Webteksten moeten natuurlijk goed zijn, ze moeten zijn geschreven met de doelgroep in het achterhoofd, er moet rekening worden gehouden met de voorwaarden van Google. Dat is kwaliteit. Maar bij webteksten gaat het ook over kwantiteit. Content is king, is het welbekende adagium van de zoekmachineoptimaliatie: zorg dat u over veel inhoudelijke teksten beschikt, en uw website wordt relevant gevonden. Effectieve webteksten hebben een redelijke lengte en ze zijn met veel: kwantiteit is een kwaliteit.

Mijn opdrachtgevers zijn het beste geholpen met stevige, lange teksten, die op elkaar inspelen, naar elkaar linken en samen een flinke hoeveelheid relevante woorden bevatten. Twee teksten van 300 woorden zijn voor een webshop niet onderscheidend genoeg, u doet er goed aan veel teksten te laten schrijven, van een goede lengte (bijvoorbeeld 1000 woorden). De drempel daarvoor is lager bij duidelijke, gunstige tarieven per tekst. Verderlezen…

Proeven van taal: Had bij de NOS

’n Taalobservatie duurt zo lang als de verwarring over een zin duurt. Neem nu dit nieuwsfeitje, over de Australische politie (rechts):

taal-bij-NOS

Ik las dat eerst anders. “De politie had de site kunnen overnemen,” voor mij betekent dat: ze hadden de gelegenheid, maar ze hebben het niet gedaan. “Hadden” in combinatie met “kunnen”, dat gebruik ik eigenlijk altijd in die betekenis: het kón, maar het gebeurde niet. Hier had een eenvoudige verleden tijd volstaan (“kon de site overnemen”), of een combinatie met “heeft” (“heeft de site kunnen overnemen”).

Dat bracht twee recente artikelen op Neerlandistiek.nl in herinnering, beide van de hand van Marc van Oostendorp, beide over een sonnet. Het eerste, over Nijhoffs De moeder en de vrouw, ging over het gebruik van de verleden tijd om ’n irrealis uit te drukken, waar ook het “had” dat ik meende te herkennen onder zou kunnen vallen (O, dat daar mijn moeder voer). Het tweede over een gedicht van Van Ostaijen, waarbij Van Oostendorp opmerkte dat eerst de voltooid tegenwoordige tijd werd gebruikt om over te gaan op de gewone verleden tijd, iets wat in dit nieuwsartikel ook had kunnen helpen (Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht)

En dan had ik het hier ook nog over “kunnen overnemen” kunnen hebben, dat zou ik als Nederlander eerder opsplitsen: “over kunnen nemen”, zodat het werkwoordelijke deel bij elkaar staat. Maar een Vlaming zou daar anders over denken, daar is “kunnen overnemen” het meest gebruikelijk.

Bier in Den Helder

den-helder-beatrixstraatIk ken eigenlijk geen andere stad in Nederland waar zoveel vooroordelen over bestaan als over Den Helder. Het jammere is dat die vooroordelen meestal ook precies dezelfde zijn, het komt steeds op dat zelfde belegen grapje over ergens dood gevonden willen worden neer, en dat grapje wordt dan ook nog ‘ns gebracht alsof de bevooroordeelde dat grapje zélf bedacht heeft. Nee, ’t is geen pretje om over Den Helder te spreken. Maar in de veilige monoloogvorm van dit blog wil ik ’t ‘r nog wel ‘ns op wagen, en wel, omdat Den Helder dit weekend even de bierhoofdstad van Noord-Holland is. Dat heeft alles te maken met het KeyKeg International Beer Festival.

Bierstad Den Helder

Den Helder is normaal geen bierhoofdstad, maar toch wel ’n beetje ’n bierstad. De wild gegiste experimenten van Tommie Sjef gaan heel de wereld over, maar komen oorspronkelijk uit ’n boetje in Den Helder. Verder is er de Stadsbrouwerij Helderse Jongens, gevestigd in ’n prachtig oud fort, ’n locatie waar menig Noord-Hollandse brouwer jaloers op is. Ook wordt er in Den Helder, in gehuurde ketels in dat fort, ’n broodbier gebrouwen, op basis van in de stad gebakken brood van bakkerij Dunselman. Drie verschillende benaderingen van bier, da’s niet slecht voor ’n klein stadje als Den Helder.

En er zijn dus KeyKegs. Een industrieel product uit Den Helder. KeyKegs zijn plastic biervaten waarin ’n aluminium zak zit met bier, ’n zak die door koolzuur wordt leeggeknepen. Je vindt ze over de hele wereld, en niet ten onrechte, want dit is ’n geweldige uitvinding. Zelfs de kritische Engelsen zijn om: real ale mag uit KeyKegs stromen, want het bier raakt het koolzuur niet, het bier blijft puur en daar is het die Engelsen om te doen. Bierinnovatie dus, opnieuw niet gek voor zo’n klein stadje.

Klein stadje aan zee

Ik noem Den Helder nu al tweemaal ’n klein stadje. Dat is ’t natuurlijk ook, maar zelfs die beschrijving conflicteert al met de vooroordelen. In de belegen grapjes wordt Den Helder altijd ’n stád genoemd, zo’n grote stad met veel problemen en hoge gebouwen en grijze straten – die vooroordelen dus. Den Helder oogt ook wel grootstedelijker dan Schagen of Bergen, dat is waar. Maar toch: het is ’n klein stadje aan zee, met kleine huisjes en smalle straatjes, met grachtjes en pleintjes, met hofjes en kerkjes… Kijk toch ‘ns om die vooroordelen heen, Den Helder is prachtig! Verderlezen…

Kiezen voor Duits bier

Vandaag zijn er verkiezingen in Duitsland. Hoewel er geen grote verschuivingen worden verwacht, hebben die verkiezingen toch al iets opgeleverd, namelijk dat er op tv meer aandacht is voor de Duitse cultuur. Helaas blijven programmamakers daarbij wel wat in clichés hangen, maar dat is nu eenmaal hoe het gaat in Hilversum. Gelukkig zijn er blogs. Hier, op mijn bierblog, zou ik ’n lans willen breken voor Duits bier.

De Duitse biercultuur

duits-bierOm nog maar even met het cliché te beginnen: Duits bier, dat is pils, in literpullen of in halve liters, met braadworsten erbij, gedronken door lieden met snorretjes en gekke petjes. Dat is zo ongeveer wat de televisie ons voorzet als het over Duitsers en bier gaat. Grote hoeveelheden, vooral, alsof het daar alleen om kwantiteit gaat. Dat is niet zo. Duitsers hebben in de regel juist veel oog voor de kwaliteit van hun bier en ze weten ook dat er, zelfs als ze zich beperken tot ondergistend blond bier, meer te proeven is dan pils.

Die laatste zin gaat veel Nederlanders het al dan niet gekke petje te boven, blijkbaar, want men heeft het hier, in navolging van de Angelsaksen, in toenemende mate over “lager”, terwijl wat wij meestal pils noemen ook maar ’n schim van het origineel is. De Duitser heeft z’n Helles (’n licht, blond bier van ondergisting), maar ook z’n Kellerbier, technisch gezien datzelfde bier maar dan nog niet droog uitvergist, troebeler en gelaagder. Er is Märzen en Bock, wat voller en hoger in de alcohol. Je kunt in deze ondergisters meer mout proeven dan alleen pilsmout, er zijn vele verschillende hopsoorten, er zijn verschillen in de rijping – er is een hele wereld te proeven en dat allemaal binnen één stijl die hier zo plat als “lager” weg wordt gezet.

En dan is er nog bovengistend bier, meestal Weizenbier, in het westen vaak ook Alt (zeker niet alleen in Düsseldorf!). Keulen heeft z’n Kölsch, ’n blonde bovengister. Er is de Gose uit Leipzig en Goslar: friszuur bier met zout en koriander. Hoofdstad Berlijn heeft met de Belgische hoofdstad z’n zure stadsbier gemeen (maar ook de gulheid met zoetigheden om dat zure te bederven). Als we ’t over regionale variatie gaan hebben, kunnen we met ondergisters ook nog wel even doorgaan: de Schwarzbiere uit het oosten, de rookbieren uit Bamberg en omgeving, het exportbier uit Dortmund, de opvallend hoppige pilsbieren uit het noorden… Duitsland leent zich als geen ander land voor bierreizen en ik heb er dan ook verschillende ondernomen. Verderlezen…

Bierrecensie: Rampzalig (Vlielands bier)

vlielands-bier

Het Texelse veerpontje naar Vlieland

Omdat ik zo van de Wadden houd, wordt mij wel ‘ns Waddenbier geschonken. Dat kan Texels bier zijn, maar als ’t meezit is het iets onbekends van één van de andere eilanden. Ik proef natuurlijk graag nieuwe dingen. Onlangs werd mij ’n flesje Vlielands bier bezorgd, met de weinig bemoedigende naam Rampzalig – dat kon alleen maar meevallen en dat deed het dan ook.

Wie brouwt Rampzalig?

Het etiket was niet direct geruststellender dan de naam. Het is mij niet helemaal duidelijk welke brouwerij ik aan dit bier moet verbinden. Het is gebrouwen bij de Naeckte Brouwers, dat stond er eerlijk op, en het adres wat vermeld werd moet ook dat van de Naeckte zijn (hoewel de postcode niet klopte). Een huurbrouwsel, maar hoe heet de huurder dan? Hun namen staan óók op het etiket: Henriëtte Waal en Bojan Bajic. Informatief – maar hoe heet nu hun brouwerij? Die noteerde ik dan maar als “naamloos”. Wat ook wel prettig mystiek is, natuurlijk, dat past vast bij ’t Wad.

Indrukken van ’n Vlielands bier

Hoewel het Vlielandse bier zichzelf dus liet ontmaskeren als ’n brouwsel uit Amstelveen, heb ik ’t toch geproefd als was het echt Vlielands. Dat kon ook best, want er was iets Waddenachtigs aan. Dat zat al in de geur: die was wat ijzerachtig, hard, met op de achtergrond dan, haast honigzoet, de weldadige moutigheid van ’t eigenlijke bier. Het Texelse water is ijzerachtig, dat is bekend (het maakt het goed houdbaar en dus was het erg geschikt voor de VOC-schepen, die het insloegen aan Oudeschild); het Vlielandse water kan dat ook wel wezen, dat zou de geur verklaren. Verderlezen…

’n Uitstapje naar ’t Harlingers

Met enige regelmaat schrijf ik hier over dialect. Meestal over het Tessels, want daarnaar doe ik onderzoek. Deze maand permitteerde ik ’n uitstapje naar de mooiste stad van Friesland: ik schreef over het Harlingers. Het dialect van de stad van mijn opa, híj was ’n ouwe seun, zoals dat daar heet: ’n geboren Harlinger. Hoewel ik het dialect nooit van ‘m leerde, was dit uitstapje er toch ook in zijn nagedachtenis (want hij kon het wel spreken).

Wat ik in mijn onderzoekje wilde laten zien is dat het Harlingers niet zomaar Stadsfries is. Het is geen Leeuwarders-aan-Zee, nee, het is een Waddentaal. Het is Tesselser dan de rest. Of Vlielandser, Midslandser, Amelandser – kies maar. Bildtser ook. Misschien ook wel, maar dat zullen ze in Harlingen minder graag horen, ’n tikje Frieser. Waar het me om gaat: de ie.

Van ij en stem

Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.