De kindertaal van Siem: uit de bus

Nu zit ik in de bus van Leeuwarden naar Alkmaar. Ik vaar over de Friese landerijen en dadelijk zal ik als ’n huiskamer in de nacht de Afsluitdijk over gaan. Boalsert, de mooiste stad die uit deze landerijen oprijst – uit wat voor landerijen dan ook, nog nooit heb ik ’n stad zo mooi uit ’t land komen zien – heb ik net achter mij gelaten. Voor mij de blauwgrijze muur van de harde lucht over zee; roze het zonnelicht, steeds donkerder groen de greiden

Ik mis Siem.

Kindertaal over de telefoon

Zoonlief telefoneerde zojuist met mij. Dat wil zeggen, moederlief zette de telefoon op overluid en legde ’t ding dan in de wieg. Zo hoorde Siem mijn ingeblikte stem en ik vertelde over de greiden en over hoe mooi Boalsert uit die velden oprees, als ’n oude boot op ’t droge. Hij hoorde ’t en kreet: mijn stem werd herkend. Nu ja, mijn stem? Ik zal toch ingeblikt geklonken hebben. Het zal mijn dictie geweest zijn, mijn accent.

Terug hoorde ik Siems klinkers. Het zijn er steeds meer. Geronde voorklinkers, veel talen bestaan zonder, maar Siem beoefent ze. Eu en uu vervangen de aa van z’n eerdere „alá”. In fonetisch schrift zouden het zelfs meer klinkers zijn geweest. maar oe en oo ontbreken nog, hoe normaal zulke klinkers in andere talen ook zijn. Behalve -l- zegt hij ook -r-, in verschillende varianten. Andere medeklinkers zullen vast gauw volgen. Daarover bericht ik dan hier.

De kindertaal van papa

Ondertussen stel ik mij vragen over mijn eigen taalgebruik. Zomaar zeg ik dingen dubbel. Ga je lachen, Siem? wordt direct gevolgd door: Jij gaat lachen, hè, Siem?. En meer van dat. Steeds zeg ik wat ik hem zeggen wil twee keer. Dat is een natuurlijke reflex: het bevordert het kindertaalgevoel als je zinnen herhaalt, en dus doe je dat ook. Vanzelf. Als ik wijzer zou wezen zou ik ’t denk ik niet doen.

Ik stop even met schrijven. De dijk, de Afsluitdijk. Het wad, de ondergaande zon. De eilanden aan de horizon. De diepe donkerte daarachter. Dit móet hij later zien…

Maar twee keer dus, zeg ik dingen. En meer. Ik merk dat die oude taal van het wad, het Tessels, terugkeert in mijn gesprekken met Siem. Mijn klinkers zijn ineens zo zuiver niet meer als op de radio. Het is al vaker gezegd, maar dat ’t even dwingend was als dat dubbel praten, dat had ik niet verwacht: ik praat met hem mijn eigen taal. Eerlijk: ik praat met hem de taal die ik het allermooiste vind.

Met taal vooruit

Siem leert elke dag en ik voel mij elke dag ’n minnere leraar, met mijn herhalingen en met mijn dialectuitspraak. Maar de natuur is toch de sterkste. De taal van Siem wordt niet door mij of door z’n moeder bepaald, niet door het Tessels en ook niet door haar Vlaams, maar door wat door anderen wel God is genoemd: dat samenkomen van de oude wetten van de natuur en de stomme liefde van ’n kind voor z’n ouders, en dus voor de letters van hun taal. Dat is Siems taalgevoel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze html-tags en attributen worden ondersteund:

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.