Tag Friesland

1
Bierrecensie: Rampzalig (Vlielands bier)
2
’n Uitstapje naar ’t Harlingers
3
Een taalreis naar Lytje Pole
4
Reis naar Friesland
5
Ingetaald

Bierrecensie: Rampzalig (Vlielands bier)

vlielands-bier

Het Texelse veerpontje naar Vlieland

Omdat ik zo van de Wadden houd, wordt mij wel ‘ns Waddenbier geschonken. Dat kan Texels bier zijn, maar als ’t meezit is het iets onbekends van één van de andere eilanden. Ik proef natuurlijk graag nieuwe dingen. Onlangs werd mij ’n flesje Vlielands bier bezorgd, met de weinig bemoedigende naam Rampzalig – dat kon alleen maar meevallen en dat deed het dan ook.

Wie brouwt Rampzalig?

Het etiket was niet direct geruststellender dan de naam. Het is mij niet helemaal duidelijk welke brouwerij ik aan dit bier moet verbinden. Het is gebrouwen bij de Naeckte Brouwers, dat stond er eerlijk op, en het adres wat vermeld werd moet ook dat van de Naeckte zijn (hoewel de postcode niet klopte). Een huurbrouwsel, maar hoe heet de huurder dan? Hun namen staan óók op het etiket: Henriëtte Waal en Bojan Bajic. Informatief – maar hoe heet nu hun brouwerij? Die noteerde ik dan maar als “naamloos”. Wat ook wel prettig mystiek is, natuurlijk, dat past vast bij ’t Wad.

Indrukken van ’n Vlielands bier

Hoewel het Vlielandse bier zichzelf dus liet ontmaskeren als ’n brouwsel uit Amstelveen, heb ik ’t toch geproefd als was het echt Vlielands. Dat kon ook best, want er was iets Waddenachtigs aan. Dat zat al in de geur: die was wat ijzerachtig, hard, met op de achtergrond dan, haast honigzoet, de weldadige moutigheid van ’t eigenlijke bier. Het Texelse water is ijzerachtig, dat is bekend (het maakt het goed houdbaar en dus was het erg geschikt voor de VOC-schepen, die het insloegen aan Oudeschild); het Vlielandse water kan dat ook wel wezen, dat zou de geur verklaren. Verderlezen…

’n Uitstapje naar ’t Harlingers

Met enige regelmaat schrijf ik hier over dialect. Meestal over het Tessels, want daarnaar doe ik onderzoek. Deze maand permitteerde ik ’n uitstapje naar de mooiste stad van Friesland: ik schreef over het Harlingers. Het dialect van de stad van mijn opa, híj was ’n ouwe seun, zoals dat daar heet: ’n geboren Harlinger. Hoewel ik het dialect nooit van ‘m leerde, was dit uitstapje er toch ook in zijn nagedachtenis (want hij kon het wel spreken).

Wat ik in mijn onderzoekje wilde laten zien is dat het Harlingers niet zomaar Stadsfries is. Het is geen Leeuwarders-aan-Zee, nee, het is een Waddentaal. Het is Tesselser dan de rest. Of Vlielandser, Midslandser, Amelandser – kies maar. Bildtser ook. Misschien ook wel, maar dat zullen ze in Harlingen minder graag horen, ’n tikje Frieser. Waar het me om gaat: de ie.

Van ij en stem

Verderlezen…

Een taalreis naar Lytje Pole

Stervende talen vertederen me wel eens, maar stervende eilanddialecten gaan me aan het hart. Dat komt natuurlijk omdat ik geen taal zo lief heb als het Tessels, het opgewekte eilanddialect dat mijn oma me leerde; het komt vast ook omdat ik gewoon van eilanden houd, van het wad en hoe de maan daarop skinstert in de nacht, en omdat ik houd van de mensen die in dat wad voortleven, het kustvolk dat maar duurt en duurt, en dat een taal verdient.

Ik schrijf dit in een café op Schiermonnikoog. Boven de muziek in ’t Engels uit kakelt een tafel badgasten over het Belgisch van Verhulst en over zichzelf vooral. Aan de bar wordt een westelijk Nederlands gekout dat bij geen stad hoort, en ogenschijnlijk ook niet bij de eilanders die het spreken. Buiten is het duisterder dan waar ook in Nederland. Op dit eiland kruipt een oude taal de vergetelheid in, en ik ben hier om daar naar te kijken.

Eilaunders, zo heet die stervende taal. Verderlezen…

Reis naar Friesland

Sneek, ik zag er niks van. Door de ramen van de bus viel niet te kijken. Alles was van water wit. Over de voorruit schoven ruitenwissers. Waar was ik? Was dit al het station? Niemand zei mij iets, ik vroeg niemand iets. Kabaal van regen en wind, de motor van de bus, het belletje van iemand die op “stop” drukte, verder niets.

In Sneek moest ik wezen. Ik had er een afspraak met een Friese dichter. “Een zonderling,” hadden ze gezegd, “hij is de meest paranoïde dichter van Friesland.” Zijn onbereikbaarheid paste bij dat gerucht. Hij woonde in een donkere stad. Zware wolken werden er door zuilen water omhooggehouden. Een stad zonder kerktorens, zonder pleinen. Sneek moest per ongeluk zijn ontstaan.

Een mooi meisje verliet de bus. Verderlezen…

Ingetaald

steven-h-p-de-jongZo klein als iedereen beweert is ons taalgebied helemaal niet. De Nederlandstaligen hebben zich over best wat landen verspreid, en twee ervan zijn nog akelig rijke landen ook, wat in de moderne wereld misschien wel meer uitmaakt dan louter het aantal sprekers van een taal. Maar zelfs dát is in ons geval nog lang niet mis.

Verleden week was ik kort in een kleiner taalgebied, waar een taal te verwaaien stond, kleiner en kleiner werd en vooral voor de literatuur ongrijpbaar geworden was, niet eens zozeer voor de schrijvers en dichters, voor wie de taal natuurlijk niet ongrijpbaar genoeg kan zijn, maar voor de uitgevers vooral, die geen boeken meer verkochten, en voor de lezers, die ze niet meer lazen. Ik bezocht er een literaire avond, in Leeuwarden, of Ljouwert zogezegd, want ik spreek natuurlijk over het Fries en dat kleine, vlakke, waaiende Friese taalgebied. Veel grijze hoofden waren daar, maar ook een jeugdige enkeling, voor wie er foldertjes werden rondgedeeld over verliefd zijn in het Fries en waarop achter het Friese woord fereale tussen haakjes was geschreven dat het verliefd betekende. Jonge Friezen lazen hun taal niet meer, niet omdat ze niet van lezen hielden, maar simpelweg omdat ze hun taal niet meer voldoende kenden. Was dat dan onwil? Hoe mooi de avond verder ook was, met poëzij en Friese opera, het was dat foldertje, het was die vaststelling die bekleef: het geschreven Fries was stervende.

Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.