Tag Meestnieuwnederlands

1
Van gender en geslacht
2
Genderneuttaal
3
Hélène Devos en het kleine Nederlands
4
Laat hun toch
5
Dit is waarom, en wel hierom
6
Rollend taalcontact: de letter R
7
Een Wave van verengelsing
8
’t Noordeloos woordgeslacht
9
Meestnieuwnederlands (5)
10
Meestnieuwnederlands (4)

Van gender en geslacht

In aanvulling op mijn eerdere blog over genderneutraal taalgebruik, is het misschien goed ook kort iets over die woorden gender en “geslacht” te zeggen. Dat woordje gender is er, volgens de pleitbezorgers van dat woord, omdat “geslacht” de lading niet dekt. Dat lijkt mij een verkeerde inschatting.

Gender is natuurlijk een Engels woord. Ook de argumenten voor gender komen uit het Engels. In die taal is het namelijk zo dat er twee woorden voor “geslacht” zijn, sex en gender, en die twee woorden hebben elk hun eigen connotatie. Sex is ons woord “sekse”, het slaat specifiek op het biologische geslacht. Gender is dan “hoe je je voelt”. Het is “geslacht” in de zin: daar hoor ik bij. Ook het woordgeslacht heet in het Engels bijvoorbeeld gender. Het gaat om een indeling die niet zuiver biologisch is.

De Nederlandse vertaling voor gender is “genus”. Dat woord kom je echter vrijwel uitsluitend in wetenschappelijke teksten tegen, ook wel in taalkundige (waar “genus” dan dus “woordgeslacht” betekent). Ook “sekse” is trouwens wat beperkt in gebruik. Dat komt omdat we een algemener woord hebben, “geslacht”, dat beide betekenissen kan hebben. En meer: als “geslacht” íets betekent, dan is het wel: “daar waar je bij hoort”. Ook een familie heet bijvoorbeeld wel “geslacht” (“het geslacht Plaatsman”, bijvoorbeeld). “Geslacht” heeft dus niet alleen een biologische betekenis, het is eerder omgekeerd: “geslacht” is eerder gender dan sex.

In het Nederlands is er dus keuze uit drie woorden, maar van die drie is “geslacht” het meest neutrale.

Genderneuttaal

genderneutraalHet staat niet op zichzelf en het zal allemaal ook wel ’n beetje aan de komkommertijd liggen, er was in ieder geval volop tijd voor bij de NOS, maar er is volop commotie over taal vandaag. Op Twitter heet zulks #ophef. Het gaat natuurlijk om de genderneutrale taal, die van “Dames en heren” nu zomaar Beste reizigers maakt. Hoe durft/durven de NS & onze beschaving gaat eraan, van die dingen.

Beste reizigers

Om maar bij het begin te beginnen: met beste reizigers lijkt mij niets mis. In Duitsland worden reizigers ook als Fahrgäste aangesproken en daar heb ik me nog nooit vragen bij gesteld. Het onderdeel van de NS dat zich met personenvervoer bezighoudt heet ook “NS Reizigers” en dat is prima, het zegt wat er bedoeld wordt. Hoewel “Dames en heren” natuurlijk een heel conventionele aanspreekvorm is, lijkt het me niet minder conventioneel om “Beste reizigers” te zeggen. ’n Beetje in de trant van “geachte aanwezigen”, “beminde gelovigen”, “dag kijkbuisvriendjes”.

Nou denk ik ook niet dat dáár de wrevel zit. Die zit eerder in de uitleg van de NS zelf. Met enige triomf – memorabele marketing – kondigt NS aan dat voortaan iedereen meedoet. Dat is blijkbaar nu niet zo en morgen trouwens ook niet, want dat Beste reizigers wordt pas over ’n paar maanden ingevoerd. Impliciet zegt de NS nu: “dames en heren” is discriminerend, maar we passen het pas aan na Sinterklaas. Daar kun je hypocrisie in zien, en je kunt er ook wel ’n rare kritiek in vermoeden, namelijk dat wie nog “dames en heren” zegt eigenlijk discrimineert. Verderlezen…

Hélène Devos en het kleine Nederlands

’n Oude Vlaamse uitdrukking, die mij door allerlei toevalligheden al dikwijls ter ore gekomen is, luidt: bijt niet de hand die u voedt. Ze wil zeggen: ga niet in tegen diegene, die je kost betaalt. ’n Waarheid natuurlijk; ik stoot als tekstschrijver mijn opdrachtgevers liever ook niet voor ’t hoofd. Maar om ’n andere reden dacht ik dit weekeinde nog ‘ns aan die uitdrukking.

Vlaanderen.svgDie reden was Hélène Devos. Hélène Devos is een actrice, één met krullen en grote ogen, volgens Het Parool toch heus van ’n uitzonderlijk type. Ze komt uit België, ik vrees dat zij vindt dat ze uit Vlaanderen komt. In Het Parool las ik over Hélène Devos. Ze liet zich er interviewen en bleek openhartig. Maar vooral zei zij – dat maakte mij schrijvende – dit:

Ik wil geen Nederlands kindje met een Hollands accent.

Verderlezen…

Laat hun toch

hunOver hun hoor je taalliefhebbers eindeloos. “Hun” is niet goed, tenminste, niet wanneer het als onderwerp wordt gebruikt. “Hun staan daar,” dat kan niet. Daar hoor je, dat weet u best, “zij” te schrijven en ook te zeggen. Weg met hun, klinkt het dan, “hun” is zelfs tweede geworden in de taalwedstrijd Weg met dat woord, net ná “diervriendelijk vlees” weliswaar, dat is blijkbaar nog erger, maar toch: “hun” is niet geliefd.

Het kunstmatige hun

De verontwaardiging betreft, voor de duidelijkheid, “hun” als onderwerp, dus het “hun” in deze zinnen:

  • Hun staan daar
  • Hun zeggen dat zo.
  • Ik ken die gasten wel, hun komen ieder jaar hier.

Er is nog een andere, oudere hun-verwarring. Daarbij gaat het om het verschil tussen “hen” en “hun”, een verschil dat ik, dat geef ik zonder schaamte toe, ook altijd even op moet zoeken in een achterkamer van mijn taalgevoel, en dat ik nooit in praktijk breng. Dat hoeft gelukkig ook niet, de normbepalers hebben het laten varen, omdat zij net als ik weten dat dat verschil volkomen kunstmatig is. Over dat “hun” gaat het hier niet, wie meer over deze kapitale grap van ’n oude grammaticus wil weten leze hier maar verder.

Hun zijn net als jullie

Hier gaat het over het echte, levende hun, dat in correct Nederlands de bezitsvorm is (“Dat is hun boek”), maar in de spreektaal van Nederland (niet van België) ook heel vaak als onderwerpsvorm wordt gebruikt. Op zichzelf is dat trouwens niet vreemd, dat een bezitsvorm, of die van een meewerkend fan wel lijdend voorwerp, als onderwerpsvorm wordt gebruikt. We zien het ook bij jullie: Verderlezen…

Dit is waarom, en wel hierom

WhyHet zichtbaarste taalcontact is toch wel ontlening. Dat een woord als “contact” van oorsprong on-Nederlands is zie je zelfs aan de spelling, met twee keer een c. Iets minder zichtbaar, maar minstens zo gewoon, is de leenvertaling. Zo is “leenvertaling” een letterlijke vertaling van het Duitse Lehnübersetzung. Noch tegen leenwoorden, noch tegen leenvertalingen heb ik groot bezwaar, maar sommige verbazen me wel.

Zo is er een wetmatigheid, dat leenwoorden pas echt succesvol worden als ze op de één of andere manier “beter” zijn dan het oorspronkelijke woord. Het leenwoord is bijvoorbeeld preciezer, of het geeft een extra nuance aan. Het klinkt toch anders om iets not done te noemen dan “onaanvaardbaar”. Vaak worden leenwoorden succesvol omdat ze korter zijn. Vooral Engelse leenwoorden zijn heerlijk kort. “Afdrukken” is én een mond vol, én ambigu. Dan zeg je toch eerder printen. Ik ook.

Waarom onze taal beter is

Verderlezen…

Rollend taalcontact: de letter R

De r is nog maar net uit de maand, of hij is alweer in het nieuws: bij de NOS ’n heel artikel, met geluid, en dat ter ere van een r-congres dat de komende dagen in Frisia gehouden wordt. Mooi natuurlijk, aandacht voor taal, maar niet helemaal verrassend, want de r mag zich al langer in bijzondere belangstelling verheugen en dat komt natuurlijk vooral door de vele manieren waarop die r in het Nederlands uitgesproken wordt.

Van Franse r tot Gooise r

r-uitspraakDe oorspronkelijke Nederlandse r is de rollende tongpunt-r. Het is de r die we wel kennen van het Spaans, van de Slavische talen, van de Schotten en als het goed is toch ook van onszelf of van onze naaste familie, want dit is nog altijd een heel alledaagse r in heel het Nederlandse taalgebied. In sommige streken concurreert deze r met de huig-r, die achter in de keel wordt gemaakt en die wel “Franse r” heet. Op televisie en onder mensen die hopen nog eens op tv te komen concurreert die r vooral met de Gooise r, de r waarvan voorspeld wordt dat die ooit de gewoonste r van Nederland gaat worden, maar dat ondertussen nog altijd niet is.

Aardig aan de namen van die r’en is dat ze topografisch zijn. Gooise r verwijst naar mediahoofdstad Hilversum, Franse r verwijst naar Frankrijk. Een minder gewone variant, de a-achtige r na een klinker (“bie-a”) wordt wel Duitse r genoemd, vooral als Achterhoekers hem maken. Kennelijk wordt daar de herkomst van die r’en gezocht. Dat doet vermoeden dat al die r’ en op de één of andere manier het resultaat van taalcontact zijn.

De r als taalcontact

Bij de NOS leren we dat we in het Nederlands alle r’en wel hebben, behalve die van een “briesend paard”, die in de Amazone voor schijnt te komen. Zelf mis ik ook nog de Tsjechische ř, die van Dvořák, een “natte r” die gemengd lijkt met de j- van journaal. In elk geval hebben we wel de Franse, Duitse en “Amerikaanse” r in ons Nederlands zitten en dat klopt met het vermoeden, dat die r’en het gevolg zijn van taalcontact. Verderlezen…

Een Wave van verengelsing

Wie over taal blogt ontkomt maar moeilijk aan het onderwerp verengelsing, waar iedereen wel een mening over heeft en waarvan iedereen ook verwacht dat ik er een mening over heb. Gelukkig heb ik die mening, en die mening is dat er met ’n leenwoord op z’n tijd niks mis is, maar dat nodeloos Engels aanstellerij is en domeinverlies van het Nederlands (bijvoorbeeld in het onderwijs of in de Amsterdamse horeca) een slechte zaak is. Geen heel originele mening verder, dus ook geen reden om veel over verengelsing te bloggen, maar soms kan ook ik me niet inhouden.

Nodeloos Engels

Laat ik eerst, voor ik mijn aanklacht begin, maar verduidelijken wat ik nou eigenlijk nodeloos Engels vind. Mij hoor je niet protesteren tegen een woord als “computer” en zelfs niet tegen staande uitdrukkingen als “not amused” of “what’s in the name”. Dat het Engels soms tegen het Nederlands aanschurkt, ach, dat is prima, taalcontact is immers een fascinatie van mij, en taalcontact is er met zoveel talen.

Nee, nodeloos Engels is Engels dat er niet is om te communiceren (voor “computer” is gewoon geen algemeen begrepen Nederlands alternatief), niet om een geestig understatement te laten vallen en ook niet om naar iets te verwijzen (Shakespeare citeren moet maar mogen), nodeloos Engels is er om geen reden dan dat Engels zelf. Kijk mij ‘ns hip doen, ik zeg iets in het Engels dat niet in het Engels hoeft. Mensen die “Oh my God” krijten in plaats van “o mijn God” of iets wat nog dichter bij henzelf ligt. Verderlezen…

’t Noordeloos woordgeslacht

In de VPRO-gids staat altijd ’n stukje van A.L. Snijders, schrijver van korte verhalen maar voor de redactie van die gids geloof ik een columnist. Ik lees dat graag, Snijders beschrijft de wereld zo beheerst en berustend, in een vriendelijk Nederlands waar ik zelden iets op aan te merken heb. Ook nu wil ik dat niet doen, want hoewel Snijders volgens de letter van de wet een taalfout maakte, ben ik berustend genoeg om te weten dat hij dat eigenlijk niet deed.

Opvallend was het wel, het stukje waarop m’n oog bleef hangen toen ik van ’t weekend zijn verhaaltje las. “De taal is een stad,” schreef Snijders, “je woont er, je kent hem, maar je komt niet in alle straten en buurten.” Een fijne vergelijking natuurlijk, maar ik bleef naar dat “hem” kijken, niet omdat het nieuw was, maar eerder omdat het al de zoveelste “hem” was. Ik wist toen dat ik er vandaag over zou schrijven.

Vrouwelijke woorden in de standaardtaal

De Nederlandse standaardtaal staat niet al te ver van de dagelijkse spreektaal af, niet in Nederland tenminste (wel in Vlaanderen), maar ze bewaart soms wel relicten uit een ver verleden. Eén van die relicten is het vrouwelijk woordgeslacht. Dat is in de spreektaal allang terzijde geschoven, “de koe, hij geeft melk” wordt er gezegd, en als mensen standaardtaal moeten spreken gaan ze er van de weeromstuit mee knoeien (“Amsterdam en haar grachten”). Alleen in het zuiden, in Vlaanderen dus, wordt het vrouwelijk geslacht nog duidelijk onderscheiden in de omgangstaal, op manieren die er juist voor zorgen dat die omgangstaal zo van de schrijftaal verschilt (verbogen lidwoorden).

Stadsplanning volgens taalpurist Simon Stevin.

Stadsplanning volgens taalpurist Simon Stevin.

De Nederlandse lezer van mijn blog zal ’t nu onderhand wel vermoeden, maar nog niet zeker weten: “taal” en “stad” zijn beide vrouwelijke woorden. Snijders had dus ’n mooie, gelijkwaardige vergelijking klaarliggen, van twee vrouwelijkheden, en toch verwees hij daar toen naar met “hem”. Zijn verhaal was niet bedoeld spreektalig, enkele alinea’s verder schreef hij zelfs “te zijner tijd”, dat is schrijftaal en zelfs wat statig.

De taal gaat verloren als –

Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (5)

Chinees maatwoordTaal en prestige hebben alles met elkaar te maken. Taalgebruikers zijn bereid zich uit te sloven om maar serieus te worden genomen. Mensen gebruiken de taal zoals ze kleren gebruiken: niet alleen om het praktisch nut, maar ook om de uitstraling ervan. Taal moet sjiek zijn. Studentes dragen hakjes en make-up om een reden, maar ze praten ook met een Gooise r om een reden, om dezelfde reden zelfs: hip zijn, prestigieus zijn. Kijk mij, hoor mij!

Het is aan de taal af te zien dat ze voor dit soort spelletjes wordt gebruikt. Zo heeft het Chinees bijvoorbeeld “maatwoorden”. Dat zijn woorden die in die taal nodig zijn om telwoorden aan zelfstandige naamwoorden te verbinden. In het Chinees zeg je niet “drie paard”, je zegt “drie maatwoord paard”. Zonder maatwoord is het voor een Chinees niet duidelijk dat je aan het tellen bent.

Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (4)

Het Meestnieuwnederlands grijpt om zich heen. Overal op tv en in het echt hoor je nu mensen “meest leuke” en “meest nieuwe” zeggen. Dat klinkt heel lelijk, natuurlijk, maar mijn oren zijn ouderwets. De toekomst is aan hen die de fout niet horen. Uitgesproken Meestnieuwnederlands.

Veel toekomstvoorspellingen over onze taal gaan over uitspraak. Met de r loopt het helemaal mis, dat kun je overal lezen. De Gooise r is al decennia in opkomst en wordt steeds gewoner. Vooral meisjes hebben ‘m haast allemaal. Als ik een Hollands meisje zonder Gooise r hoor, ben ik zelfs verrast. Er gaat meteen iets aantrekkelijks van uit: ongeschonden, de laatste van haar generatie… Haar nageslacht gaat hoe dan ook voor de bijl.

Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.