Tag Meestnieuwnederlands

1
’t Noordeloos woordgeslacht
2
Meestnieuwnederlands (5)
3
Meestnieuwnederlands (4)
4
Meestnieuwnederlands (3)
5
Meestnieuwnederlands (2)
6
Meestnieuwnederlands (1)

’t Noordeloos woordgeslacht

In de VPRO-gids staat altijd ’n stukje van A.L. Snijders, schrijver van korte verhalen maar voor de redactie van die gids geloof ik een columnist. Ik lees dat graag, Snijders beschrijft de wereld zo beheerst en berustend, in een vriendelijk Nederlands waar ik zelden iets op aan te merken heb. Ook nu wil ik dat niet doen, want hoewel Snijders volgens de letter van de wet een taalfout maakte, ben ik berustend genoeg om te weten dat hij dat eigenlijk niet deed.

Opvallend was het wel, het stukje waarop m’n oog bleef hangen toen ik van ’t weekend zijn verhaaltje las. “De taal is een stad,” schreef Snijders, “je woont er, je kent hem, maar je komt niet in alle straten en buurten.” Een fijne vergelijking natuurlijk, maar ik bleef naar dat “hem” kijken, niet omdat het nieuw was, maar eerder omdat het al de zoveelste “hem” was. Ik wist toen dat ik er vandaag over zou schrijven.

Vrouwelijke woorden in de standaardtaal

De Nederlandse standaardtaal staat niet al te ver van de dagelijkse spreektaal af, niet in Nederland tenminste (wel in Vlaanderen), maar ze bewaart soms wel relicten uit een ver verleden. Eén van die relicten is het vrouwelijk woordgeslacht. Dat is in de spreektaal allang terzijde geschoven, “de koe, hij geeft melk” wordt er gezegd, en als mensen standaardtaal moeten spreken gaan ze er van de weeromstuit mee knoeien (“Amsterdam en haar grachten”). Alleen in het zuiden, in Vlaanderen dus, wordt het vrouwelijk geslacht nog duidelijk onderscheiden in de omgangstaal, op manieren die er juist voor zorgen dat die omgangstaal zo van de schrijftaal verschilt (verbogen lidwoorden).

Stadsplanning volgens taalpurist Simon Stevin.

Stadsplanning volgens taalpurist Simon Stevin.

De Nederlandse lezer van mijn blog zal ’t nu onderhand wel vermoeden, maar nog niet zeker weten: “taal” en “stad” zijn beide vrouwelijke woorden. Snijders had dus ’n mooie, gelijkwaardige vergelijking klaarliggen, van twee vrouwelijkheden, en toch verwees hij daar toen naar met “hem”. Zijn verhaal was niet bedoeld spreektalig, enkele alinea’s verder schreef hij zelfs “te zijner tijd”, dat is schrijftaal en zelfs wat statig.

De taal gaat verloren als –

Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (5)

Chinees maatwoordTaal en prestige hebben alles met elkaar te maken. Taalgebruikers zijn bereid zich uit te sloven om maar serieus te worden genomen. Mensen gebruiken de taal zoals ze kleren gebruiken: niet alleen om het praktisch nut, maar ook om de uitstraling ervan. Taal moet sjiek zijn. Studentes dragen hakjes en make-up om een reden, maar ze praten ook met een Gooise r om een reden, om dezelfde reden zelfs: hip zijn, prestigieus zijn. Kijk mij, hoor mij!

Het is aan de taal af te zien dat ze voor dit soort spelletjes wordt gebruikt. Zo heeft het Chinees bijvoorbeeld “maatwoorden”. Dat zijn woorden die in die taal nodig zijn om telwoorden aan zelfstandige naamwoorden te verbinden. In het Chinees zeg je niet “drie paard”, je zegt “drie maatwoord paard”. Zonder maatwoord is het voor een Chinees niet duidelijk dat je aan het tellen bent.

Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (4)

Het Meestnieuwnederlands grijpt om zich heen. Overal op tv en in het echt hoor je nu mensen “meest leuke” en “meest nieuwe” zeggen. Dat klinkt heel lelijk, natuurlijk, maar mijn oren zijn ouderwets. De toekomst is aan hen die de fout niet horen. Uitgesproken Meestnieuwnederlands.

Veel toekomstvoorspellingen over onze taal gaan over uitspraak. Met de r loopt het helemaal mis, dat kun je overal lezen. De Gooise r is al decennia in opkomst en wordt steeds gewoner. Vooral meisjes hebben ‘m haast allemaal. Als ik een Hollands meisje zonder Gooise r hoor, ben ik zelfs verrast. Er gaat meteen iets aantrekkelijks van uit: ongeschonden, de laatste van haar generatie… Haar nageslacht gaat hoe dan ook voor de bijl.

Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (3)

AnglicismeAls ’t in de krant of in de kroeg over de toekomst van het Nederlands gaat, dan gaat het al snel over het Engels. “Joh, over 100 jaar praten we allemaal Engels,” hoor je dan zeggen. Hoe kan ’n kleine taal als het Nederlands zich immers staande houden in een wereld die alleen maar Engels spreekt?

Mijn eerste reactie op dat donkere toekomstbeeld is altijd de ontkenning: zo’n vaart zal het echt niet lopen. Het Nederlands is ook lang niet zo’n kleine taal, met zoveel sprekers in Nederland en Vlaanderen, en omdat die sprekers rijk en relatief invloedrijk zijn is het Nederlands ook geen onbelangrijke taal. Op internet is het Nederlands één van de meestgebruikte talen. Natuurlijk wordt er nog veel meer Engels gesproken, maar het Nederlands lijkt daar niet onder te zuchten.

En tja, dat Engels, is dat wel zo alomtegenwoordig? In het huidige Europa kom je met die taal eigenlijk alleen ver in de “Germaanse” landen. In Italië, Turkije of Polen kun je ’t wel vergeten, veel meer dan wat brak Toeristenengels komt er niet uit de gemiddelde passant. Zal dat veranderen? Misschien. Maar toch niet binnen 100 jaar, denk ik.

Zo ontken ik de verengelsing. Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (2)

Talenstellen is een heel brede tak van sport. ’t Is veel meer dan woorden en regeltjes verzinnen. Of beter gezegd: voor wie ’t goed wil doen is het veel meer dan dat. Zo breed als de taal is, zo breed moet de verbeelding zijn. Daarom stelde ik al dialecten en geschiedenissen. Nu stel ik de taal van de toekomst, en om dat te doen moet ik voorspellen hoe de samenleving in de toekomst zal zijn.

Taal en samenleving hangen nauw samen. Het huidige Nederlands, dat ik Nieuwstnederlands heb gedoopt, is niet te begrijpen zonder de politieke situatie binnen het Nederlands taalgebied te kennen. Die begint al met de opdeling in meerdere staten: Nederland, België en Suriname. In verschillende samenlevingen heeft het Nederlands een heel andere rol. In Suriname is het één van vele talen, in Nederland en Vlaanderen is het in principe de enige taal die voor alles wordt gebruikt, en in Brussel concurreert het met het Frans. Dat maakt al verschil, maar er is meer. De Nederlandse en Vlaamse samenleving verschillen bijvoorbeeld sterk van elkaar, en dus is de taal er ook anders, en ook de positie van de taal.

Het zou me al ’n reeks aan blogs kosten om de positie van het huidige Nederlands te beschrijven. Daar begin ik niet aan, dat valt buiten mijn missie. Mijn missie is het Meestnieuwnederlands. Ik zal proberen grof te schetsen hoe ik denk dat de positie van het Nederlands zal veranderen:

Verderlezen…

Meestnieuwnederlands (1)

Het allereerste Nederlands noemen we Oudnederlands. Veel Oudnederlands is er niet, en wat er is is vaak nauwelijks met zekerheid echt Oudnederlands, maar dat maakt voor die term niet zoveel uit. Het is nu eenmaal traditie talen in drie perioden in te delen en de eerste heet dan “oud-“. Na Oudnederlands komt Middelnederlands, de taal van Reynaert, Beatrijs en Jacob Van Maerlant – daar is veel van over. De derde periode is die van het Nieuwnederlands. Dat begint bij Vondel en Bredero en eindigt voorlopig niet. Ook dit blogje is volgens die driedeling geschreven in Nieuwnederlands.

De driedeling is, dat blijkt al wel, ’n beetje onbeholpen, want tussen mijn blog en Moortje of Lucifer gaapt niet alleen een tijd-, maar echt ook wel een taalverschil. Eigenlijk zou mijn Nederlands Nieuwstnederlands moeten heten, een vierde taalfase, die al ergens voor mij begonnen is en nog voortduurt na mij. Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.