Archief november 2015

1
Bier in Wenen
2
Wenen in november
3
Ontronding rondom
4
’t Noordeloos woordgeslacht

Bier in Wenen

bier-oostenrijkOostenrijk ligt aan de randen van de klassieke bierwereld, niet ver van Beieren en Tsjechië. Zelf lijkt het land zich vooral met z’n wijnen te identificeren, maar tegelijkertijd gaat de Oostenrijkse bierrevolutie ook aan Nederland niet voorbij, want we hebben hier nu Bevog, en het klassieke tarwebier van Edelweiss werd hier wat zomers terug door Heineken nog even populair gemaakt. Oostenrijk is dus óók bierland, en een week geleden onderzocht ik daarom wat bier in Wenen vermag.

Wenen: tussen traditie en ambitie

De trouwe lezers van dit blog weten dat ik bepaald niet spuug in de ondergistende bieren die in Zuid-Duitsland, Tsjechië en natuurlijk ook in Oostenrijk traditioneel zijn. Ik geloof zelfs dat ondergist, dat zo weinig bijsmaken (esters) heeft en dus vrij neutraal bier oplevert, het meest geschikt is om met smaakvolle hoppen te combineren: ondergist laat hop de ruimte. In Wenen heb ik dus veel ondergistende bieren besteld om er de hoppen in te proeven. Maar lukte dat?

Verderlezen…

Wenen in november

Wien hat immer Saison, wil het gezegde, dus bezocht ik de stad in november, normaal ’n dode maand, maar in Wenen inderdaad best prima. Op de luchthaven (we vlogen vanaf Rotterdam) was het zo rustig dat de mensen van de veiligheidscontrole grapjes maakten, dat doen ze anders nooit, en in de veel te dure luchthavenhoreca hoorde ik de verkoopsters onderling klagen dat er niks te doen was. Hadden wij in Nederland, zoals in Wenen, ook maar Sint-Maartensganzen in november, dan was het vast drukker geweest in de eetcafés (maar niet op de luchthaven, natuurlijk).

Wenen te voet en met de metro

Vliegen is vervelend, dus laat ik over vliegen niet schrijven, maar over Wenen in de plaats. Wie daar de luchthaven verlaat en de stad in rijdt komt al snel ondergronds, want Wenen is een metrostad. Naar goed Duits voorbeeld zijn er twee systemen: een U-Bahn voor binnenstedelijk verkeer, en een S-Bahn voor verbindingen met de voorsteden en in ons geval dus de luchthaven. Zulke efficiëntie komt me altijd grootstedelijk voor, ik houd er wel van.

Te voet laat Wenen zich natuurlijk ook verkennen en dat is wat de toeristen doen. Ze gaan van paleizen naar kerken en passeren doorkijkjes waar sommigen een foto van maken en waar anderen geen oog voor hebben. Zo is Wenen als iedere grote stad.

  • De kleine Donau in het centrum. De heuvels op de achtergrond worden deels voor wijnbouw gebruikt.
  • Doorkijkje naar de Stephansdom
  • Straatbeeld in Wenen
  • Doorkijkje naar de kerk Maria am Gestade.
  • Typisch beeld van het toeristische Wenen, met op de achtergrond de Hofburg.
  • Doorkijkje naar de gotische toren van de Michaelerkirche.
  • Hoge gevelwanden geven de stad licht én schaduw.
  • De groene ring rondom het oude centrum staat vol grootse gebouwen, zoals het Rathaus.
  • Stadsbeeld met de Minoritenkirche.
  • De fraaie neogotiek van de Votivkirche kon me zeker bekoren.
  • Nogmaals de Votivkirche.
  • Een militaire kazerne aan de Donau.

Verderlezen…

Ontronding rondom

Er zijn onnoemelijk veel manieren waarop talen veranderen kunnen, en onnoemelijk veel van die manieren zijn klankverschuivingen. Een lange aa kan een oo worden, of een ee, een ie kan een ij worden, een oe een ou, of een uu – alles lijkt wel mogelijk. Het zou maar raar zijn, om voor een bepaalde klankverschuiving een voorkeur te hebben. Toch heb ik die. Ik heb een zwak voor ontronding.

Ontronding, een modelverschuiving

Ontronding is een klankverschuiving die model kan staan voor hoe klankverschuivingen werken, en waarom ze mooi zijn. Klankverschuivingen voltrekken zich namelijk regelmatig (als “lijken” tot “laaiken” wordt, dan wordt “blijken” ook “blaaiken”), ogenschijnlijke uitzonderingen zijn altijd te verklaren, de verschuiving laat zich als een wiskundige formule samenvatten. Bij ontronding wordt dat in één keer inzichtelijk gemaakt, alsof deze klankverschuiving er is om studentjes taalkunde in te wijden in de wondere wereld van klankverschuivingen. Verderlezen…

’t Noordeloos woordgeslacht

In de VPRO-gids staat altijd ’n stukje van A.L. Snijders, schrijver van korte verhalen maar voor de redactie van die gids geloof ik een columnist. Ik lees dat graag, Snijders beschrijft de wereld zo beheerst en berustend, in een vriendelijk Nederlands waar ik zelden iets op aan te merken heb. Ook nu wil ik dat niet doen, want hoewel Snijders volgens de letter van de wet een taalfout maakte, ben ik berustend genoeg om te weten dat hij dat eigenlijk niet deed.

Opvallend was het wel, het stukje waarop m’n oog bleef hangen toen ik van ’t weekend zijn verhaaltje las. “De taal is een stad,” schreef Snijders, “je woont er, je kent hem, maar je komt niet in alle straten en buurten.” Een fijne vergelijking natuurlijk, maar ik bleef naar dat “hem” kijken, niet omdat het nieuw was, maar eerder omdat het al de zoveelste “hem” was. Ik wist toen dat ik er vandaag over zou schrijven.

Vrouwelijke woorden in de standaardtaal

De Nederlandse standaardtaal staat niet al te ver van de dagelijkse spreektaal af, niet in Nederland tenminste (wel in Vlaanderen), maar ze bewaart soms wel relicten uit een ver verleden. Eén van die relicten is het vrouwelijk woordgeslacht. Dat is in de spreektaal allang terzijde geschoven, “de koe, hij geeft melk” wordt er gezegd, en als mensen standaardtaal moeten spreken gaan ze er van de weeromstuit mee knoeien (“Amsterdam en haar grachten”). Alleen in het zuiden, in Vlaanderen dus, wordt het vrouwelijk geslacht nog duidelijk onderscheiden in de omgangstaal, op manieren die er juist voor zorgen dat die omgangstaal zo van de schrijftaal verschilt (verbogen lidwoorden).

Stadsplanning volgens taalpurist Simon Stevin.

Stadsplanning volgens taalpurist Simon Stevin.

De Nederlandse lezer van mijn blog zal ’t nu onderhand wel vermoeden, maar nog niet zeker weten: “taal” en “stad” zijn beide vrouwelijke woorden. Snijders had dus ’n mooie, gelijkwaardige vergelijking klaarliggen, van twee vrouwelijkheden, en toch verwees hij daar toen naar met “hem”. Zijn verhaal was niet bedoeld spreektalig, enkele alinea’s verder schreef hij zelfs “te zijner tijd”, dat is schrijftaal en zelfs wat statig.

De taal gaat verloren als –

Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.