Tag België

1
Van gisten en geschiedenis: Orval proeven met Arvid Bergström
2
Een verscholen verscheidenheid
3
Biergondisch Alkmaar
4
De bevrijding van Brussel
5
Het vijfde beste station
6
Litouws bier in Brussel
7
Proeven van taal: het zojuist gepresenteerd akkoord
8
De kindertaal van Siem: Franse klanken
9
Hélène Devos en het kleine Nederlands
10
Thuin in zwart-wit

Van gisten en geschiedenis: Orval proeven met Arvid Bergström

Een dinsdagavond in Alkmaar: regen, glimmende tegeltjes, en als altijd de warme gezelligheid van proeflokaal De Boom. Daar had Richard Moerkerk, barman én biersommelier, de Orvalkenner Arvid Bergström uitgenodigd voor een masterclass vol verhalen over dat ene magische bier: Orval. De trappist die anders is dan alle andere trappisten, dan alle andere bieren haast. De masterclass ging voorbij de mythes en maakte het bier daarmee alleen maar mysterieuzer. Wat een pracht.

Orval Masterclass

Arvid Bergström presenteerde deze bijzondere avond echt als een masterclass. Orval proeven is niet slempen, natuurlijk niet. De spreker hield de touwtjes in handen, vertelde wanneer er geroken moest worden, wanneer gedronken. Die ene fles ‘referentiebier’, daar moest je wel de héle avond mee, hield hij ons voor.

Zij die gezegend zijn met een gezonde dorst keken toen wel een beetje bezorgd, maar al gauw bleek dat geen proever te kort kwam op deze avond. De tafeltjes veranderden in een waar kerkhof van lege en halflege flessen en dan stond Richard tussendoor nog wat te tappen ook, want er kwamen zeker ook andere bieren dan Orval aan bod.

Anders dan al het andere

IPA, lambiek, geuze: het zijn bierstijlen die elk op hun eigen manier wel raakvlakken hebben met Orval. Maar toch zijn ze niet één op één vergelijkbaar. Orval is onder bierliefhebbers juist zo begeerd omdat het echt een bier op zichzelf is, anders dan alle andere bieren. En dat terwijl het recept redelijk rechttoe rechtaan is, op het eerste oog. Bergström kent de ingrediënten – daar is de brouwmeesters ook openhartig over, vertelde hij. Zelfs over het ‘geheim’.

Dat geheim is een, zij het getemd, ‘wild’ gist, ofwel ‘brettanomyces’. Een biergist dat door Bergström met een diesel werd vergeleken. Traag komt dit organisme op gang, maar als het eenmaal aan het werk is, is deze ‘pacman’ niet te stoppen. Het zet alle aanwezige suikers om in alcohol en koolzuur, veel meer dan een gewoon biergist kan. Dat maakt een rijpe Orval zo bijzonder. Het gist heeft na een jaar vrijwel niets te vergisten meer overgelaten, dit bier is een ‘droog’ bier, zonder restsuikers.

Maanden en weken vergeleken

Dat voltooide bier, van een jaar oud dus, liet Bergström ons zeker proeven. Maar het fascinerende van Orval is dat het bier al op de markt wordt gebracht vóór dat die veelvratige brettanomyces klaar met werken is. Soms is het bier zelfs zo jong dat er onvolkomenheden in te herkennen zijn. Dat boterige bijsmaakje dat het gist nog weg moet werken, bijvoorbeeld, in een jonge Orval is dat nog gewoon aanwezig.

Dáár zat het werkelijke avontuur van deze masterclass. We vergeleken Orvals die onaf waren, maar vaak al lekker zat. We vergeleken ze met de botteldatum scherp in het oog, met soms enkele weken verschil. En ja, die verschillen waren duidelijk te proeven. Een fenomeen waar ik op dit blog ook al wel eens aandacht aan geschonken heb, trouwens, maar waar dat bij een observatie bleef, daar had Bergström er een geweldige studie van gemaakt.

Genieten van Orval

Die veelheid aan smaken en rijpingen maakt van Orval een heel aantrekkelijk bier. Smaken zo vergelijken is plezierig, prikkelend, soms ook domweg grappig – Bergström deed zijn verhaal met humor, zonder zijn precisie te verliezen. En ik genoot, zeker. Van het bier, van die verhalen, maar vooral van de machtige toewijding van Arvid Bergström. Zo maakte hij het grote mysterie van die bijzondere abdij met dat eigenwijze bier voelbaar in Alkmaar.

Een verscholen verscheidenheid

In mijn dagelijks leven zou ik tekstschrijver moeten zijn, wat ook maar een mal woord is en ook een mal beroep, want het komt er op neer dat ik een groot deel van de dag op Twitter zit in plaats van hard te werken. Daar, op Twitter dus, las ik van de week dat een Belg, Kris Kuppens, in De Morgen schreef dat ‘ie naar adem hapte nadat hij Antwerpse klanken hoorde op televisie. Dat schreef hij in een column voor die krant. Het was voor hem dus toch wel zó belangrijk, dat happen naar adem, dat hij er een column aan besteedde.

Verderlezen (in het Fries)…

Biergondisch Alkmaar

Ome RemNederlanders houden Belgen voor bourgondisch. Dat krijg ik altijd weer te horen als ik vertel dat ik in België heb gestudeerd en anders hoort m’n vrouw het wel, want die is er geboren en getogen. Meestal hebben die Nederlanders dan wel een beeld van bourgondisch in hun hoofd dat niet helemaal klopt met de Belgische definitie. Ze denken dan aan heel veel krullen en liflafjes en ander hoogculinair gedoe, terwijl bourgondisch in de eerste plaats staat voor lekker eten en drinken waar je zin in hebt. Een stevig bord stoemp en een goeie pot bier, dat is ook bourgondisch. Wat dat betreft zou het voor Nederlanders helemaal zo exotisch niet hoeven zijn.

Bourgondisch genieten in Alkmaar

Dat je heel bourgondisch kunt leven in Alkmaar bewijzen mijn Belgische eega en ik als geld en weer het ’n beetje toelaten het liefst elke dag. Ook zoonlief doet al een aardige duit in het zakje, al geloof ik dat er in zijn definitie van bourgondisch iets meer plek is ingeruimd voor “je lijf en het meubilair ondersmeren”, maar goed, bij bourgondisch gaat het dus in de eerste plaats om waar je zélf zin in hebt, dus hij heeft ’t heus begrepen. In Alkmaar kun je heerlijk eten en drinken en het kan in een gemoedelijke sfeer, dat laatste vind ik zelf ook wel van belang.

Op mijn website heb ik al vaker een lans gebroken voor de fijnere bourgondische gelegenheden in onze stad. De Binnenkomer noem ik graag nog maar eens even. Daar kun je ook gewoon warm lunchen, wat in Nederland nog steeds te zeldzaam is. De keuken is er ook tot laat nog open, waarvoor alle lof. Want bourgondisch is ook: eten wannéér je dat wilt. Ik teken meteen wel aan dat er wat dat betreft echt nog wel veel te winnen is. Toen ik onlangs in Brussel was en nog met ’n laat hongertje kampte, kon ik gewoon bij een buurtrestaurantje terecht voor een stevig bord eten om middernacht en een glas Orval. Fantastisch. Maar het begin is er tenminste.

Een belangrijk begin is ook gemaakt door “ome Rem” van De Kleine Deugniet, die in het kleine zaakje aan de Koorstraat ’n heel mooi bourgondisch proeflokaaltje heeft kunnen doen ontluiken; inmiddels is dit café groot geworden en zit het op de Gedempte Nieuwesloot. Er komt zelfs een festival uit voort. Daarover zo meer. Nu eerst mijn wanklank. Verderlezen…

De bevrijding van Brussel

BrusselIn Brussel kom ik al heel wat jaren met enige regelmaat. Het is opmerkelijk dat ik de stad al die jaren wel dacht te kennen, maar dat ik dat steeds op een andere manier deed. Nú noem ik Brussel een bevrijding, maar goed, dat is dus hoe ik de stad nú denk te kennen. Misschien is dat over wat jaren ook wel weer anders. Wat tenminste een constante is en wat ook bewaard blijft, zijn de foto’s die ik er maak: doorkijkjes, alsmaar doorkijkjes, want Brussel is een stad om doorheen te kijken.

De eerste kwam ik in Brussel, zoals de meeste Nederlanders, als toerist. Ik draaide mij een paar keer om op de Grote Markt, vond dat ik Manneken Pis moest ontlopen maar keek toch, ik ging het gangske van À la Bécasse door en ik deed iets na wat ik verder niet kende bij À la Mort Subite. Nu, jaren later, lijkt dat nog steeds het rondje van de meeste Nederlandse bezoekers te zijn die daarna, net als ik destijds, vaststellen dat Brussel best mooi is, maar toch niet echt ’n stad om van te houden. Ik dacht toen ook dat Brussel maar een klein historisch hart had met kantoren en verkeer daar omheen. Verderlezen…

Het vijfde beste station

Toen ik, onderhand alweer ruim tien jaar geleden, als Nederlander in België kwam wonen, moest ik aan een hoop taalverschijnselen wennen. Eén van de dingen die ik noteerde was dat Nederlandstalige Belgen niet “de op vier na beste” zeiden, maar: de vijfde beste. Wat natuurlijk wel zo economisch is, het scheelt heel wat lettergrepen en misschien klinkt “de op vier na beste” zelfs wel wat kinderachtig – ik vond het een prima vorm. Maar ja, het was vast Franse invloed, en anders wel Engelse, want in het Engels zeg je ook the fifth best. Dat maakte het toch minder mooi.

Nu vele jaren later zijn wel meer Vlaamse eigenaardigheden in Nederland gewoon geworden, vooral, misschien wel uitsluitend, als die eigenaardigheden ook Engels zijn. Voor taalcontact is niemand ongevoelig en we horen nu eenmaal heel veel Engels. Het verbaasde me dan ook nauwelijks toen ik deze tweet voorbij zag komen:

Het AD schrijft hier “de vijfde beste”. Nou zijn al onze kranten inmiddels wel op de één of andere manier Belgisch, ook iets wat de voorbije tien jaar is gebeurd, maar dit artikel moet toch wel in Rotterdam geschreven zijn. De vorm is inmiddels ook bij ons gewoon genoeg voor krantenkoppen. Zou iemand die nu, zoals ik toen, in België ging studeren nog die notities maken die ik toen maakte? Ik betwijfel het.

Litouws bier in Brussel

In 2012 was ik in Vilnius, Litouwen, en maakte ik er kennis met de Litouwse biercultuur. Dat die biercultuur in ons deel van Europa nog steeds zo onbekend is, heeft me sindsdien verbaasd. Gose is inmiddels hip geworden en zelfs het Poolse rookbier is weer tot leven gewekt, maar over Litouwen hoor je nog altijd niks. Tot dit jaar dan, want er lijkt eindelijk aandacht voor Litouwen te komen, vanuit België nog wel.

Schrijven over Litouws bier

VilniusNu heb ik zelf de voorbije jaren ook niet helemaal stil gezeten. Zo blogde ik enthousiast over mijn Litouwse bierreis en ook op Wikipedia deed ik mijn best om mensen te informeren over bier in Litouwen. Met enige regelmaat ben ik in allerlei discussies over goed bier blijven herhalen dat mensen echt ‘ns naar Litouwen moesten. Verderlezen…

Proeven van taal: het zojuist gepresenteerd akkoord

Er is een regeerakkoord! Tegelijk is er ook interessante taal bij de NOS:

bijvoeglijk-naamwoord

“Het zojuist gepresenteerd akkoord”, daar ontbreekt voor mijn aanvoelen een -e. Ik zou zeggen: “het zojuist gepresenteerde regeerakkoord”. Nu gaat het om heel vers nieuws, dus dit kan een slordigheidje zijn; dat is de NOS natuurlijk vergeven. Maar er kan ook meer aan de hand zijn.

Sterke en zwakke bijvoeglijke naamwoorden

In het Nederlands eindigen bijvoeglijke naamwoorden meestal op een -e, tenzij ze tussen “een” en een onzijdig woord staan: “een mooi huis”, “een lang verhaal”, “een zojuist gepresenteerd regeerakkoord”. Ook als er helemaal geen lidwoord is, heeft het bijvoeglijk naamwoord deze vorm, maar alleen voor het-woorden: “Mooi huis hoor,” zeg je, maar ook: “mooie fiets.” Verderlezen…

De kindertaal van Siem: Franse klanken

Inmiddels is Siem 10 weken. Zijn taal groeit elke dag. In mijn eerste bericht over Siems kindertaal schreef ik al dat het soms lijkt, alsof hij Frans spreekt. Als hij om melk vraagt zegt hij iets dat klinkt als lait. Dat Frans is inmiddels verder uitgebreid: als zoonlief tevreden is (wat hij gelukkig vaak is), dan zegt hij “örö”, /œ’ʀœ/, dat doet denken aan het Franse heureux.

be10-185Dat Frans is natuurlijk wel toepasselijk, want Siem heeft Belgische wortels. We zeggen wel eens gekscherend dat hij een waalse baby is. Hij zal z’n prille Frans vast niet volhouden, thuis krijgt hij immers Nederlands mee, maar mooi is het toch. Al kun je ook zeggen: dat Frans is kennelijk maar ’n baby-taal, veel stelt het niet voor dan. Een uitleg die het in Vlaanderen goed doet.

Vanochtend breidde Siem z’n palet medeklinkers uit met /ɡ/. Dat is de stemhebbende k van zakdoek. Die g- hoor je ook veel in het Frans (in garçon, bijvoorbeeld). Waar hij met /l/ begon, en later de /ʀ/ leerde (een stemhebbende Hollandse ch, eigenlijk, maar ook de Franse r), beide “vloeiende” klanken, daar is er nu dus ook een plofklank. Veel gebruikt Siem z’n Franse g nog niet, overigens, het was misschien meer een toevalstreffer. Maar ik heb vertrouwen, nu zullen andere plofklanken wel gaan volgen, tot Siem ook “papa” zeggen kan. Dat is dan Frans en Nederlands tegelijk.

Hélène Devos en het kleine Nederlands

’n Oude Vlaamse uitdrukking, die mij door allerlei toevalligheden al dikwijls ter ore gekomen is, luidt: bijt niet de hand die u voedt. Ze wil zeggen: ga niet in tegen diegene, die je kost betaalt. ’n Waarheid natuurlijk; ik stoot als tekstschrijver mijn opdrachtgevers liever ook niet voor ’t hoofd. Maar om ’n andere reden dacht ik dit weekeinde nog ‘ns aan die uitdrukking.

Vlaanderen.svgDie reden was Hélène Devos. Hélène Devos is een actrice, één met krullen en grote ogen, volgens Het Parool toch heus van ’n uitzonderlijk type. Ze komt uit België, ik vrees dat zij vindt dat ze uit Vlaanderen komt. In Het Parool las ik over Hélène Devos. Ze liet zich er interviewen en bleek openhartig. Maar vooral zei zij – dat maakte mij schrijvende – dit:

Ik wil geen Nederlands kindje met een Hollands accent.

Verderlezen…

Thuin in zwart-wit

Precies een week geleden was ik in Thuin. Het miezerde, het licht kwam in natte vlagen naar beneden. Toch was Thuin opmerkelijk fotogeniek.

Thuin is een kleine Waalse stad, onder de rook van Charleroi. Vanuit Charleroi – wat trouwens ook een fotogenieke stad is, met een alleraardigst centrum – ben je er met de trein in een kwartiertje. Dat tochtje is wel wat eigenaardig, het voert eerst langs de grove industrie waar deze regio bekend om staat, en dan, na een kort bochtje, rijdt de trein ineens door prachtige heuvellandschappen, met beboste hellingen en lieflijke dorpjes langs de stroom, en langs een abdijruïne zelfs… België blijft boeien met contrasten.

Thuin fotografeerde ik in zwart-wit, wat natuurlijk met dat miezerweer te maken had. Ik zou er nog best ‘ns willen terugkomen voor een serie in de zon. Ach, en anders voor nóg één in zwart-wit, want in dit kleine stadje kun je wel eindeloos fotograferen, of tekenen zelfs. Thuin is vol mooie hoekjes en verrassende doorkijkjes.

1.

De trein komt aan in het dal, waar de benedenstad is. Meteen zie je de bovenstad, die hoog boven het dal uittorent en ook ouder is, al zitten er in de benedenstad nu meer winkels. Het belfort is het symbool van Thuin.

2.
Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.