Archief 2026

1
Naar de film: hopen op ‘Primavera’
2
De Woongroep voor iemand anders
3
Bier of geen bier: denormaliseer die machtsmachine
4
’t Volmaakte ov van Karlsruhe

Naar de film: hopen op ‘Primavera’

Anders schrijf ik hier over boeken, maar films zijn toch óók verhalen – die passen hier best. Als het tenminste films zijn waar ook echt een verhaal in zit, dat lijkt me een vereiste. Alléén maar beeld en geluid is niet genoeg. Gelukkig gaf de film ‘Primavera’, die woensdag zijn Alkmaarse première beleefde, genoeg om over na te denken.

Nieuw is de film toch eigenlijk niet, 2025 is het jaartal dat aan de film is meegegeven – en het boek, want deze film is toch ook weer gebaseerd op een boek, komt uit 2008. Dat boek had een andere titel: Stabat mater. Aan Primavera, geregisseerd door Damiano Michieletto, is nog de tweede titel Vivaldi en ik meegegeven en dat brengt ons meteen bij één van de hoofdpersonages: Antonio Vivaldi, de componist van de lente, die zijn werkzame leven sleet in een donker meisjesweeshuis in Venetië, waar hij de jonge vrouwen onderwees in zijn muziek, zodat ze al spelende voor de noodzakelijke giften konden zorgen.

Antonio Vivaldi treft tussen deze wezen Cecilia, de ik-verteller die de kijker dan al uitgebreider heeft leren kennen. Ze is het meisje dat in de even krachtige als hopeloze openingsscène haar rug recht, in verzet gaat tegen moeder overste, als die een nest jonge katjes in een Venetiaanse waterloop gooit. Tevergeefs natuurlijk, maar toch. Uit Cecilia spreekt hoop en uit de muziek die Vivaldi haar zal leren spelen óók. Daar gaat het om in deze film.

Ingehouden intimiteit

Die hoop kan ook romantische hoop zijn, maar of dat in deze film ook echt zo is, dat mag de kijker zelf bepalen. Ontegenzeggelijk is er chemie tussen Vivaldi en Cecilia, maar hij is priester en zij, door de bizarre bepalingen van het weeshuis waar ze in is opgegroeid, moet maagd blijven. De muziek is hier de minne en daar blijft het ook bij. De hoop die eruit spreekt geeft Cecilia wel vrijheid, maar geen zekerheid. Daar zit ook wel de kracht van het verhaal, waarover zo meer.

Cecilia en Vivaldi, gespeeld door Tecla Insolia en Michele Riondino. Beeld: Warner Bros. Entertainment / Kimberley Ross

Eigenlijk wint in deze film, op het oog toch een kostuumdrama in een setting waar vooral sombere maatschappelijke normen uit spreken, wel degelijk de vrouw. Alle ervaringen, of die nu religieus, muzikaal of op het randje van erotisch zijn, blijken vooral voor Cecilia’s éigen ontwikkeling van belang. Ze weet die mannen met hun pruiken en hun principes uiteindelijk voor haar eigen vrijheid te benutten en omgekeerd leveren die mannen er vooral wat voor ín.

Beeld – én geluid

Echt hoeft natuurlijk niet, het is fictie, maar de betovering wordt wel groter als de kostuums en de ruimte kloppen. De esthetiek van de oude mode en de Venetiaanse maskers krijgt in ‘Primavera’ alle ruimte. De wezen, ook Cecilia, mogen hun gezicht niet aan de wereld tonen. Actrice Tecla Insolia slaagt er in om met haar zwarte masker en dieprode hoofddoek toch tegen de kijker te blijven spreken. We zochten haar ogen en de milde spot rond haar mond en vónden die ook. Een prestatie van de actrice, maar ook van de regie en de montage. Zo kwam heel de stemming wel over en dat met de nuance van haar personage.

Een eigentijdse afbeelding van het weeshuis

Mopperen kan ik dan ook wel. Niet om anachronismen die alleen de échte kenner opvallen, die zijn er vast, maar het gewone publiek heb je daar verder niet mee. Maar dat op enig moment, als de wezen met een bootje over de bekende lagune varen, op de achtergrond elektriciteitsmasten te zien zijn en volgens mij zelfs het silhouet van de moderne stad aan de andere oever, dát ging me wel hoog. Hier was toch wel een iets ander shot mogelijk geweest, zou ik denken.

Ingenieuzer, haast verbluffend, was de ervaring van het hóren. Die prachtige muziek van Vivaldi kreeg alle ruimte en dat beviel me. De vervoering die het personage van de componist erbij ervaart – het échte leven, vindt hij – bereikte ook het publiek. Het horen ging alleen nog veel verder dan dat. De mauwende katjes in dat ruwe begin, het ruizen van de rokken als de wezen door de kille gangen gaan, de vogels die de lente fluiten – aan al die geluiden is gedacht, ze zitten er góéd in, vervolmaken de ervaring van de toeschouwer.

Na de film

In heel de film zitten motiefjes uit Vivaldi’s ‘Lente’ ofwel Primavera verstopt, wat de kijker natuurlijk als vanzelf terugbrengt bij die muziek, die in onze hoofden zit. Maar in de film zelf horen we dat muziekstuk niet en daarin zit het open einde al beklonken. We komen echt niet te weten wat Cecilia met haar vrijheid doet. Zo weeft iedere kijker zijn eigen verhaal van de indrukken die hij tijdens het kijken van de film heeft opgedaan. Het is er wat mij betreft de grote kwaliteit van. Hoop is heel mooi, maar er kleeft altijd die onzekerheid aan. We weten nu eenmaal niet hoe het leven loopt als we zélf wat te kiezen hebben. Wat dat betreft is het fletse bestaan van de maagdelijke weesmeisjes en hun hoestende muziekleraar een stuk zekerder.

Kleine flikkeringen van liefde, muziek, het lichte ervan, gaan zo over in de zwaarmoedigheid die er toch ook aan is verbonden. Op dat punt gekomen laat Primavera de kijker met gemengde gevoelens achter. Maar dat wel na een rijke ervaring, in beeld en in geluid, en met in ieder geval het verlangen naar die o zo bekende muziek, het verlangen naar de lente, naar het leven en de vrijheid, die we Cecilia zo zijn gaan gunnen.

De Woongroep voor iemand anders

Ook in onze flat staat nu een buurtboekenkastje. Daar mag trouwens ook nog houdbaar eten in, dus je vindt er tussen de oude schoolboeken en stapels drukwerk in vreemde talen ook pakken rijst en van die saus in poederpakjes, die alleen Nederlanders lijken te eten en ik niet eens. Soms verschijnt er ook iets in de kast dat niet houdbaar was, daar hebben de buren die met de kast begonnen zijn dan weer werk aan, en gemopper.

Op de boekenplanken, dat zijn de bovenste planken om de een of andere redenen, kijk ik toch wel wekelijks. Dan zie ik telkens weer de boeken terug die ik er zélf heb ingezet, mijn onderpand, waar dus maar weinig publiek voor is. De boeken die andere dan weer achterlaten, daar ben ík niet erg het publiek voor. Zo gaat het met veel van die kastjes. Maar ik wil soms best wat lezen waar ik het publiek niet voor ben.

Met dat in gedachten haalde ik er een paar weken terug De woongroep uit, door Franca Treur. Haar naam verbond ik met een ander boek, over opgroeien in een gereformeerd dorp op een eiland. Dat heb ik nog altijd niet gelezen, terwijl ik toch graag over eilanden lees. Maar zo’n woongroep kan natuurlijk ook best als eiland dienen, het onderwerp interesseerde me wel, en het leek me mooi meegenomen om zo eens kennis te maken met Treur, die toch een bekende schrijver is.

De schaduw van de recensenten

Wat ik vooraf over De woongroep las had me wel op andere gedachten kunnen brengen, want er is toch veel onaardigs geschreven over deze roman. Het viel de recensenten niet mee dat het boek zo anders was dan dat boek over het gereformeerde dorp. Dat boek, Een dorsvloer vol confetti, hadden ze ’n paar jaar eerder nog geprezen, al vonden de gereformeerden die erop reageerden dat het wat al te eenzijdig en te lichtvoetig was, maar ja, zij waren het ook die in dit boek op de korrel waren genomen, dat was wel duidelijk.

Verderlezen…

Bier of geen bier: denormaliseer die machtsmachine

Het gaat dezer dagen nogal eens over bier in de vaderlandse pers. Dat zou goed nieuws moeten zijn, met dat dorstige weer, maar echt vrolijk stemde wat ik las toch niet. Gulpener is aan Grolsch overgedaan, ik weet het, daar gaat het óók heel veel over. Maar ik doel eigenlijk op een iets ouder bericht, namelijk dat bier door onze overheid ‘gedenormaliseerd’ zou moeten worden.

Dat is wat de Gezondheidsraad aan beleidsmakers adviseert. Die moeten dus met regeltjes komen die mij en andere Nederlanders beletten te kiezen voor een glas bier.

Verantwoordelijkheid…

Daar valt natuurlijk best wat voor te zeggen. Een goed glas bier – of wijn natuurlijk – mag dan lekker smaken, helemaal helder in je hoofd word je er toch niet van. Na één glas kun je daar al iets van merken. In mijn ervaring komt dan het licht al een beetje anders binnen, bijvoorbeeld. Test het maar eens uit op een terras. Na een glas of wat meer nog achter het stuur van een auto kruipen, dat geldt als een slecht idee.

De Gezondheidsraad stelt daarom voor alcoholgebruik achter het stuur helemaal aan banden te leggen. En dat snap ik. De grens van nu – twee glazen – is wat vaag en ook makkelijk overschreden als die twee glazen zware stouts waren, of een toch wel royaal tot het randje volgegoten toeters wijn. Helemaal prima om die grens domweg op 0 te zetten. Wie achter het stuur zit, heeft een grote verantwoordelijkheid.

…of daar juist even van weg

Maar lang niet iedereen komt met de auto naar het terras. Niks mis dan, zou je zeggen, met mijn advies om op dat terras eens te testen wat één glas bier doet met hoe het licht valt. Sowieso niks mis dan, zou je zeggen, met mijn advies om als werk en geld het even toelaten, lekker te genieten van een mooi glas bier en dan nog één. Of wijn natuurlijk, niet van dat benauwde.

Maar gek genoeg is de Gezondheidsraad dat niet met mij eens, integendeel. Dat glas is altíjd fout, als het aan de raad ligt. Mensen moeten het altíjd achterwege laten. Want bier is nou eenmaal ongezond en wijn ook en jenever niet minder. En gezond, dat moeten we altíjd zijn. We moeten aldoor oppassen, aldoor verantwoordelijk zijn.

Verderlezen…

’t Volmaakte ov van Karlsruhe

Als mijn jongste zoon op school tekeningetjes van z’n vakanties maakt, iets waar ze ‘m kennelijk om vragen, dan tekent hij trams, treinen en metro’s. Goed, en berglandschapjes, die ook. Openbaar vervoer is toch ’n mooie passie. We zijn daar als ouders natuurlijk zelf wel de aanjager van door de kinderen zo dikwijls mee te nemen naar Duitse steden, waar het ov vaak nogal uitbundig is.

De reis naar het Ruhrgebied, in 2024, leverde voor deze site dan ook al verslagjes op over Duisburg en Mülheim en een oudere reis maakte ons een fan van de mooie metro van Neurenberg. Maar ook zónder zoontje heb ik er wel een zwak voor natuurlijk, het artikel over Düsseldorf schreef ik zonder hem als adviseur. Het ís ook gewoon interessant.

Wie geregeld leest over openbaar vervoer in bredere zin heeft van een ándere Duitse stad ook al wel gehoord: Karlsruhe. Een stad die verder alleen stedenbouwkundigen interesseert, omdat het een planstad is, met straten die als zonnestralen vertrekken vanuit het sierlijke slot in het midden van de stad. Maar goed, stedenbouwkundigen en ov-adepten zijn toch al een overlappende doelgroep.

Karlsruhe is vol klassieke vormen. Maar hieronder ligt een modern station.

Wat Karlsruhe voor ov-adepten zo speciaal maakt is de vermenging van tram – typisch stadsvervoer – met regionale spoorlijnen. Een Karlsruher tram rijdt moeiteloos de omringende bergen in naar verre dorpjes en andere steden. Daarvoor gebruiken deze trams het reguliere spoor, wat ze dus ook delen met andere treinen. Dat is het ‘Karlsruher model’.

Beroemd om de navolging

Wie misschien nog níét met dat model vertrouwd was, maar wel eens met het Nederlandse openbaar vervoer reist, die denkt misschien toch: dat ken ik. Want Haagse trams gaan ook over oude regionale spoorlijntjes door de Randstad heen om in Rotterdam metro’s te worden. En die Rotterdamse metro rijdt over oud spoor helemaal naar Hoek van Holland.

Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.