Archief 2026

1
Bier of geen bier: denormaliseer die machtsmachine
2
’t Volmaakte ov van Karlsruhe

Bier of geen bier: denormaliseer die machtsmachine

Het gaat dezer dagen nogal eens over bier in de vaderlandse pers. Dat zou goed nieuws moeten zijn, met dat dorstige weer, maar echt vrolijk stemde wat ik las toch niet. Gulpener is aan Grolsch overgedaan, ik weet het, daar gaat het óók heel veel over. Maar ik doel eigenlijk op een iets ouder bericht, namelijk dat bier door onze overheid ‘gedenormaliseerd’ zou moeten worden.

Dat is wat de Gezondheidsraad aan beleidsmakers adviseert. Die moeten dus met regeltjes komen die mij en andere Nederlanders beletten te kiezen voor een glas bier.

Verantwoordelijkheid…

Daar valt natuurlijk best wat voor te zeggen. Een goed glas bier – of wijn natuurlijk – mag dan lekker smaken, helemaal helder in je hoofd word je er toch niet van. Na één glas kun je daar al iets van merken. In mijn ervaring komt dan het licht al een beetje anders binnen, bijvoorbeeld. Test het maar eens uit op een terras. Na een glas of wat meer nog achter het stuur van een auto kruipen, dat geldt als een slecht idee.

De Gezondheidsraad stelt daarom voor alcoholgebruik achter het stuur helemaal aan banden te leggen. En dat snap ik. De grens van nu – twee glazen – is wat vaag en ook makkelijk overschreden als die twee glazen zware stouts waren, of een toch wel royaal tot het randje volgegoten toeters wijn. Helemaal prima om die grens domweg op 0 te zetten. Wie achter het stuur zit, heeft een grote verantwoordelijkheid.

…of daar juist even van weg

Maar lang niet iedereen komt met de auto naar het terras. Niks mis dan, zou je zeggen, met mijn advies om op dat terras eens te testen wat één glas bier doet met hoe het licht valt. Sowieso niks mis dan, zou je zeggen, met mijn advies om als werk en geld het even toelaten, lekker te genieten van een mooi glas bier en dan nog één. Of wijn natuurlijk, niet van dat benauwde.

Maar gek genoeg is de Gezondheidsraad dat niet met mij eens, integendeel. Dat glas is altíjd fout, als het aan de raad ligt. Mensen moeten het altíjd achterwege laten. Want bier is nou eenmaal ongezond en wijn ook en jenever niet minder. En gezond, dat moeten we altíjd zijn. We moeten aldoor oppassen, aldoor verantwoordelijk zijn.

Dat zijn tenminste de argumenten van die gezondheidsexperts. Het zijn ook de argumenten van beleidsmakers. Want als we allemaal gezond en verantwoordelijk zijn, dan scheelt dat weer zorgkosten. En daarvoor zijn Nederlanders nou eenmaal op aard’, nietwaar: om verantwoordelijk met zorgkosten om te springen.

Maar zouden er niet juist momenten mogen zijn dat we daar even níét verantwoordelijk voor hoeven zijn? Momenten waarop we zelf kiezen wat we doen, ook al is wat we doen misschien niet heel gezond?

Benepen

Het is doorgeslagen kruideniersmentaliteit, en erger dan dat. Het is bemoeienis achter de voordeur. Ik geloof dat mensen zo veel mogelijk zelf de keuze moet worden gelaten om hun leven leuker te maken, of minder leuk. Ze mogen hun gezondheid van mij best een beetje verknoeien als dat hun dag beter maakt. Of ‘van mij’, ‘van mij’… Ik ga daar gewoon helemaal niet over en ik zou daar ook helemaal niet over moeten gaan. Helemaal niemand zou daarover moeten gaan.

Als ik mijn tijd nu zou gebruiken om mijn buren te vertellen wat ze moeten eten en wat niet, dan zouden ze me vast maar een benepen dorknoper vinden. En terecht. We hebben in een samenleving als de onze toch een manier gevonden om enerzijds rekening te houden met elkaar, anderzijds elkaar een beetje vrij te laten. Dus: niet dronken de weg op, maar prima joh, als je met een blik bier in je hand voetbal wilt kijken. Of een andere sport. Of geen sport.

In een samenleving als de onze zou de overheid het goede voorbeeld moeten geven en dat is in dit geval: niet benepen zijn.

Machtsmachine

Maar intussen zit onze overheid al jaren op een heel andere trein. Vadertje staat raakte zelf verslaafd aan accijnzen en andere heffingen. We lazen ook al over een suikertaks die dan nog extra zou moeten gelden voor alcohol. Daarmee wordt het alleen maar venijniger: de vrijheid om te kiezen voor een biertje, of een rokertje voor mijn part, hangt in almaar toenemende mate ook van iemands inkomen af.

Over inkomensongelijkheid en hoe die zich verhoudt tot de volksgezondheid en de zorgkosten bestaan trouwens ook wel wat onderzoeken. Maar dan is het gevoel van verantwoordelijkheid bij diezelfde beleidsmakers ineens ver te zoeken. Zoals er wel meer scheef lijkt te zitten als we onze overheid met deze bril durven te bekijken.

Maar het is ook niet de juiste bril. Het gaat hier om geld, en macht, en om hoe geld en macht in elkaar grijpen. Dat gezellige bruine kroegje wordt vermorzeld onder een machtsmachine die zich helemaal niet meer voor vrijheden en burgers en gezelligheid interesseert. Het zijn de statistiekjes die tellen, de verwachte kostenbesparingen, de mens als dossier en daar dan de rendabiliteit van. En wéér een regeltje erbij in een land dat toch al kraakt onder de regeldruk.

Er valt weinig tegenin te brengen. Met een machine valt nou eenmaal niet te praten. Voor een goed gesprek raad ik toch een ander smeermiddel aan. Maar alleen dat hoor. Verder dan een advies ga ik niet, ik ben de baas niet over een ander. Maar wél over mezelf.

’t Volmaakte ov van Karlsruhe

Als mijn jongste zoon op school tekeningetjes van z’n vakanties maakt, iets waar ze ‘m kennelijk om vragen, dan tekent hij trams, treinen en metro’s. Goed, en berglandschapjes, die ook. Openbaar vervoer is toch ’n mooie passie. We zijn daar als ouders natuurlijk zelf wel de aanjager van door de kinderen zo dikwijls mee te nemen naar Duitse steden, waar het ov vaak nogal uitbundig is.

De reis naar het Ruhrgebied, in 2024, leverde voor deze site dan ook al verslagjes op over Duisburg en Mülheim en een oudere reis maakte ons een fan van de mooie metro van Neurenberg. Maar ook zónder zoontje heb ik er wel een zwak voor natuurlijk, het artikel over Düsseldorf schreef ik zonder hem als adviseur. Het ís ook gewoon interessant.

Wie geregeld leest over openbaar vervoer in bredere zin heeft van een ándere Duitse stad ook al wel gehoord: Karlsruhe. Een stad die verder alleen stedenbouwkundigen interesseert, omdat het een planstad is, met straten die als zonnestralen vertrekken vanuit het sierlijke slot in het midden van de stad. Maar goed, stedenbouwkundigen en ov-adepten zijn toch al een overlappende doelgroep.

Karlsruhe is vol klassieke vormen. Maar hieronder ligt een modern station.

Wat Karlsruhe voor ov-adepten zo speciaal maakt is de vermenging van tram – typisch stadsvervoer – met regionale spoorlijnen. Een Karlsruher tram rijdt moeiteloos de omringende bergen in naar verre dorpjes en andere steden. Daarvoor gebruiken deze trams het reguliere spoor, wat ze dus ook delen met andere treinen. Dat is het ‘Karlsruher model’.

Beroemd om de navolging

Wie misschien nog níét met dat model vertrouwd was, maar wel eens met het Nederlandse openbaar vervoer reist, die denkt misschien toch: dat ken ik. Want Haagse trams gaan ook over oude regionale spoorlijntjes door de Randstad heen om in Rotterdam metro’s te worden. En die Rotterdamse metro rijdt over oud spoor helemaal naar Hoek van Holland.

Dat zijn inderdaad gevallen waar je zou kunnen spreken van ‘navolging van het Karlsruher model’. Al is in deze Nederlandse gevallen het spoor wel losgemaakt van het reguliere spoornet, de trams delen het dus niet met NS-treinen.

Iets wat er eigenlijk veel dichterbij kwam was het Amsterdamse stadsspoor. Er is ooit wel aan gedacht om het metronetwerk van de hoofdstad zo in te richten dat NS-treinen er ook gebruik van konden maken. Maar dat was voor zover ik weet nooit in navolging van Karlsruhe, dat was een eigen idee van de Nederlandse planners, dat helaas bij een idee bleef. Anders had de ov-wereld het misschien wel over het Amsterdammer model gehad.

De praktijk: een fijnmazig tramnet

In juni namen we vanuit Amsterdam de trein naar Karlsruhe, wat soepel genoeg ging. Een overstap in Mannheim (bekend bij stedenbouwkundigen omdat het een planstad is), en klaar. Op het hoofdstation van Karlsruhe konden we dan meteen mooi zien hoe tram en trein hier in elkaar haken.

Trams en fietspaden nabij het hoofdstation

Toch deden we dat de eerste dagen nauwelijks. We wilden immers eerst Karlsruhe zélf verkennen. Dat is een verdomd mooie stad in een prachtig groene omgeving. Een leuke stad ook, met om de paar straathoeken wel een brouwerij en anders wel een museum, een mooie boekwinkel of een terras waar je lekkere spätzle kun krijgen. Een stad, kortom, waarvan ik wel wil geloven dat ze er rekening met me houden.

Om die stad te verkennen maakten we graag gebruik van het tramnet. Dagkaartjes zijn voor een gezin zeer betaalbaar, als betalen tenminste lukt, want de automaten hadden wel eens kuren – maar dat leidde niet tot problemen verder. Het netwerk is fijnmazig, trams brengen je overal. Ze rijden vaak en bieden handige overstapmogelijkheden. Heel mooi gedaan.

De stad bekijken met de tram

E dat in een stad van maar 300.000 inwoners, een studentenstad weliswaar, maar toch. Die 300.000 inwoners wonen ook nog in een gemeente die naar Nederlandse maatstaven ruim bemeten is. Een grote Nederlandse provinciestad komt met voorsteden dus ook wel aan een Karlsruher bevolking. Maar hier moeten die mensen het dan over het algemeen met bussen doen die van en naar het hoofdstation rijden en dat in lage frequentie. De Karlsruhers hebben geen klagen, zo bezien.

Met de tram naar het Zwarte woud

Maar dat is allemaal nog niet het Karlsruher model. Dat een relatief kleine stad toch royaal ov heeft, dat zie je in Duitsland wel meer. Bijzonder aan het fijnmazige net waarmee wij gaandeweg vertrouwd raakten is dat het buiten de stad verder gaat, op het bestaande spoornetwerk.

Heuvels, bergen – die fascineren mijn kinderen natuurlijk ook gewoon geweldig, waarschijnlijk juist omdat ze opgroeien in een land dat zo plat is. Dat we vanuit Karlsruhe zo het aangrenzende Zwarte Woud in konden rijden was dus wel een uitkomst.

Freudenstadt

Zo kon het gebeuren dat we op een regenachtige morgen koers zetten naar Freudenstadt. Een stad die trouwens wel bekend is onder stedenbouwkundigen, omdat het een planstad is. Maar dat komt in deze regio wel vaker voor. Uitzonderlijker: het schitterende Murgtal waar dit spoorlijntje doorheen slingert, steeds langs het wilde water van de rivier, langs slaperige dorpjes en indrukwekkende beboste hellingen.

Op deze lijn rijden lokale treinen zij aan zij met de Karlsruher trams. Die trams stoppen heel vaak, zoals je van een tram verwachten mag; de lokale trein iets minder vaak. De twee systemen vullen elkaar dus aan en worden goed gebruikt door de plaatselijke bevolking. Hier komt er duidelijk iets goeds uit de stad.

De vervolmaking: een ondergrondse

Die menging van tram en trein heeft Karlsruhe beroemd gemaakt. Tegelijk zijn veel andere Duitse steden beroemd om hun menging van tram en metro. Wat je dan vaak ziet zijn ondergrondse lijnen in het centrum, en daarbuiten reguliere tramlijnen, die zich in een nooit voltooide overgangsfase naar gescheiden tracés en ongelijkvloerse kruisingen bevinden.

Iets wat trouwens naar de letter van de wet ook in Rotterdam het geval is: de Rotterdamse metro rijdt in de oostelijke delen van de stad gewoon als een tram de straat over. Ook Amsterdam had heel lang zo’n gemengd systeem, maar daar vonden ze dat uiteindelijk toch te ingewikkeld – al kun je je afvragen of de bereikbaarheid als geheel nou verbeterd is door het loskoppelen van de Amstelveenlijn.

Maar goed, Karlsruhe dus. Daar vonden ze dat ze niet konden achterblijven. Als je van het mengen bent, dan moet je dat wel vervolmaken. En dus kreeg ook Karlsruhe zijn eigen ondergrondse. De trams, die soms treinen worden, gaan in het eigenlijke centrum van de stad de tunnel in en worden dan dus even een metro.

Daarmee komt in Karlsruhe dus écht alles samen. Al het goede, als je het aan mijn zoontje vraagt. En ik ben dat graag met hem eens.

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.