De Woongroep voor iemand anders

Ook in onze flat staat nu een buurtboekenkastje. Daar mag trouwens ook nog houdbaar eten in, dus je vindt er tussen de oude schoolboeken en stapels drukwerk in vreemde talen ook pakken rijst en van die saus in poederpakjes, die alleen Nederlanders lijken te eten en ik niet eens. Soms verschijnt er ook iets in de kast dat niet houdbaar was, daar hebben de buren die met de kast begonnen zijn dan weer werk aan, en gemopper.

Op de boekenplanken, dat zijn de bovenste planken om de een of andere redenen, kijk ik toch wel wekelijks. Dan zie ik telkens weer de boeken terug die ik er zélf heb ingezet, mijn onderpand, waar dus maar weinig publiek voor is. De boeken die andere dan weer achterlaten, daar ben ík niet erg het publiek voor. Zo gaat het met veel van die kastjes. Maar ik wil soms best wat lezen waar ik het publiek niet voor ben.

Met dat in gedachten haalde ik er een paar weken terug De woongroep uit, door Franca Treur. Haar naam verbond ik met een ander boek, over opgroeien in een gereformeerd dorp op een eiland. Dat heb ik nog altijd niet gelezen, terwijl ik toch graag over eilanden lees. Maar zo’n woongroep kan natuurlijk ook best als eiland dienen, het onderwerp interesseerde me wel, en het leek me mooi meegenomen om zo eens kennis te maken met Treur, die toch een bekende schrijver is.

De schaduw van de recensenten

Wat ik vooraf over De woongroep las had me wel op andere gedachten kunnen brengen, want er is toch veel onaardigs geschreven over deze roman. Het viel de recensenten niet mee dat het boek zo anders was dan dat boek over het gereformeerde dorp. Dat boek, Een dorsvloer vol confetti, hadden ze ’n paar jaar eerder nog geprezen, al vonden de gereformeerden die erop reageerden dat het wat al te eenzijdig en te lichtvoetig was, maar ja, zij waren het ook die in dit boek op de korrel waren genomen, dat was wel duidelijk.

De recensenten vonden dat Treur de grootsteedse intellectuelen en hun warrige idealen, op de korrel genomen in De woongroep, maar vlak schilderde, las ik. Het waren karikaturen. Dat vond ik natuurlijk wel een prettige ironie van de recensenten.

Ze noemden ook andere probleempunten die ik bij het lezen van de roman ook wel zou herkennen. De lineaire opbouw van het boek, met eerst veel aandacht voor hoe hoofdpersoon Elenoor zich kapot verveelt in een al saaiere relatie met al saaiere vrienden en al saaier werk, daarná dan in schokkerig plot de ontwikkelingen in de woongroep, en het einde dat toch veel vragen openlaat, daar schuurt wel wat aan. Het plot helemaal omgooien, met de suspense beginnen en dan gaandeweg de rest uitwerken, dat had misschien een suggestie van haar uitgever kunnen zijn.

In de discussie die na de verschijning van de roman gevoerd werd klonken zelfs woorden als ‘chicklit’. Nee, daar ben ik toch echt de doelgroep niet van. Toch vond ik de negatieve kritiek bij lezing van De woongroep niet bij mijn eigen leeservaring aansluiten.

Het spookhuis en de roman

Er is veel architectuur in De woongroep. Het zal de lezer al wel duidelijk zijn dat de hoofdpersoon van deze roman, Elenoor Jansen, in een woongroep gaat wonen. In Amsterdam, dichtbij het Oosterpark. Het oude Amsterdamse huis waar de woongroep zich in bevindt – met er een hotel direct naast, natuurlijk – beschrijft Treur in verschillende bewoordingen:

Ik tel drie verdiepingen, maar overal zijn aanbouwsels, vleugels, en er is zelfs een piepklein torentje. Aan de voorkant steekt het mooi uit boven de bomen. (…) In het stuk muur langs de stoep zijn ronde bogen gemetseld. Het is iets katholieks geweest, denkt mijn moeder. Ook vanwege de kapel.

Wat eerst sprookjesachtig klinkt, ervaart de hoofdpersoon later als spookachtig. In de donkerte van de ruimtes krijgt ze een medebewoner onmogelijk op de foto, hij blijft een schim. Er is een hogere laag in het gebouw, een trappetje leidt daarheen, waar ze niet durft te komen. Maar die ruimte, waar Elenoor nooit komt en de lezer ook niet, blijkt later in de roman wél belangrijk voor het plot. De roman heeft zelf onmiskenbaar ook een architectuur, er is toch wel over alles nagedacht, zoals we mogen verwachten. Het is allemaal niet zo onvast als de recensenten en ik met hen na eerste lezing dachten.

Altijd de ander

De koopzieke Elenoor hoort dat een kennis van haar vriend, ene Katelijne, vertrekt uit de woongroep waar ze woont. Haar plaats neemt ze in, al wordt het bordje aan de deur nooit vervangen. Later in het boek nemen anderen haar plaats weer in en die ontwikkeling blijkt typerend voor hoe veel dingen lopen in het boek. Van het hospice tot die winkels met steeds weer de nieuwste gadgets die oudere opvolgen.

Iemand anders willen zijn en zo iemands plaats innemen, al is het tijdelijk; al is dat consumptie. Dat is volgens mij de kern van De woongroep en daar is de hele roman mee volgestopt. Met Elenoor als verbindend element, want uiteindelijk zet zij toch wel veel handelingen in gang, misschien zelfs de thrillerachtige plot van een vermeende verpleeghuismoord – zíj doet zo’n suggestie, in een donker gesprek. En zíj zorgt er met haar handgetekende portretje voor dat deze man, de schim, het spook dat op geen foto stond, wordt geïdentificeerd en opgepakt, al zal nooit duidelijk worden of dat terecht is. Heeft ze de val van een ander personage, de cynische zorgboer, ook in gang gezet? Het zou zo maar kunnen.

Elenoor speelt ongewild schaak in De woongroep, geeft de mensen een andere plaats, laat ze malle paardensprongen maken waar ze zelf nog het meest verwonderd over is. De geliefden die elkaar weer vinden, vinden elkaar in het onechte: een scène waar de symboliek toch vanaf spat.

Dat al dat gezoek en gedoe van die mensen ze niet dichter bij zichzelf brengt, dat maakt Treur haar lezer wel duidelijk. Maar dat het thema zo alomtegenwoordig is in het boek, dat ieder personage en ieder detail, dat lijkt lezers toch te zijn ontgaan. Meer dan chicklit is dit een ideeënroman die ons de fictie voorschotelt die we zelf misschien wel zijn.

Tijdsbeelden en een glas bier

Treur heeft niet geprobeerd een tijdloos boek te schrijven. De woongroep levert juist commentaar op de actualiteit. We beginnen in 2010, dat is eenvoudig na te gaan: het wereldkampioenschap voetbal, de uitbarsting van de Eyjafjallajökull, de dooremmerende bankencrisis: het zit er allemaal in. Treur schetst ook het Amsterdam van die dagen en dat levert ook wel wat nostalgie op, bijvoorbeeld voor de bierliefhebber die ik ook ben:

Dat bier, die smaak, die zijn we inmiddels wel kwijt. Zo’n oude Zatte, troebel en raar mineralig en toch zo rijk en aromatisch, ik verlangde er toch weer even naar terug. Dat is een bijkomende charme van De woongroep. De wereld wordt toch weer even opgebouwd voor wie in dit boek leest en even terugvalt op eigen, oude herinneringen.

Eindoordeel: wel degelijk een écht boek

De woongroep is denk ik met veel plezier geschreven. Treur heeft een scherp spottersoog en zet dat met graagte in, maar ze is er wel verder mee gekomen dan met alleen een karikatuur van een wonderlijk wereldje. Ze heeft een roman gebouwd waarin iedere mus wel als een andere vogel van het dak zou willen vallen. Het loont toch echt wel om stukjes te herlezen met die bril op, vind ik.

Treur heeft het allemaal snel en soepel opgeschreven. De woongroep leest vlot. Toch zou je willen dat er aan sommige zinnen langer was geschaafd, dat over dat lineaire plot alsnog wat langer was getwijfeld. Maar dan had het plezier er minder afgespat.

Franca Treur had bij het maken van dit boek te stellen met de verwachtingen die haar vorige hadden gewekt. Dat schrijver zijn, ook dát neemt ze op de korrel. Er is zelfs een compleet personage dat een dichter is, of een dichtertje zelfs. De Titaantjes komen ook nog een keer voorbij. Er is volop intertekstualiteit. De ‘belletrie’, zoals ze het noemt, is natuurlijk een mooi slachtoffer: het wereldbeeld vol onechte anderen op zoek naar zichzelf kan ze daar op projecteren en zo ook op haar eigen prille schrijverschap.

Voor mij, als lezer, was het vooral een aardigheid geweest om eens wat te pakken waarvan ik dacht dat ik er de doelgroep niet voor was. De kaft, met zo’n model dat je aankijkt; de flaptekst die me iets aansmeert dat ‘schitterend’ zou zijn; ‘chicklit’ zelfs – nee, ik had dit nooit gekocht. Maar toch heb ik het kunnen lezen als iets dat me best beviel. Zo vond het toch een plekje.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze html-tags en attributen worden ondersteund:

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.