Naar de film: hopen op ‘Primavera’

Anders schrijf ik hier over boeken, maar films zijn toch óók verhalen – die passen hier best. Als het tenminste films zijn waar ook echt een verhaal in zit, dat lijkt me een vereiste. Alléén maar beeld en geluid is niet genoeg. Gelukkig gaf de film ‘Primavera’, die woensdag zijn Alkmaarse première beleefde, genoeg om over na te denken.

Nieuw is de film toch eigenlijk niet, 2025 is het jaartal dat aan de film is meegegeven – en het boek, want deze film is toch ook weer gebaseerd op een boek, komt uit 2008. Dat boek had een andere titel: Stabat mater. Aan Primavera, geregisseerd door Damiano Michieletto, is nog de tweede titel Vivaldi en ik meegegeven en dat brengt ons meteen bij één van de hoofdpersonages: Antonio Vivaldi, de componist van de lente, die zijn werkzame leven sleet in een donker meisjesweeshuis in Venetië, waar hij de jonge vrouwen onderwees in zijn muziek, zodat ze al spelende voor de noodzakelijke giften konden zorgen.

Antonio Vivaldi treft tussen deze wezen Cecilia, de ik-verteller die de kijker dan al uitgebreider heeft leren kennen. Ze is het meisje dat in de even krachtige als hopeloze openingsscène haar rug recht, in verzet gaat tegen moeder overste, als die een nest jonge katjes in een Venetiaanse waterloop gooit. Tevergeefs natuurlijk, maar toch. Uit Cecilia spreekt hoop en uit de muziek die Vivaldi haar zal leren spelen óók. Daar gaat het om in deze film.

Ingehouden intimiteit

Die hoop kan ook romantische hoop zijn, maar of dat in deze film ook echt zo is, dat mag de kijker zelf bepalen. Ontegenzeggelijk is er chemie tussen Vivaldi en Cecilia, maar hij is priester en zij, door de bizarre bepalingen van het weeshuis waar ze in is opgegroeid, moet maagd blijven. De muziek is hier de minne en daar blijft het ook bij. De hoop die eruit spreekt geeft Cecilia wel vrijheid, maar geen zekerheid. Daar zit ook wel de kracht van het verhaal, waarover zo meer.

Cecilia en Vivaldi, gespeeld door Tecla Insolia en Michele Riondino. Beeld: Warner Bros. Entertainment / Kimberley Ross

Eigenlijk wint in deze film, op het oog toch een kostuumdrama in een setting waar vooral sombere maatschappelijke normen uit spreken, wel degelijk de vrouw. Alle ervaringen, of die nu religieus, muzikaal of op het randje van erotisch zijn, blijken vooral voor Cecilia’s éigen ontwikkeling van belang. Ze weet die mannen met hun pruiken en hun principes uiteindelijk voor haar eigen vrijheid te benutten en omgekeerd leveren die mannen er vooral wat voor ín.

Beeld – én geluid

Echt hoeft natuurlijk niet, het is fictie, maar de betovering wordt wel groter als de kostuums en de ruimte kloppen. De esthetiek van de oude mode en de Venetiaanse maskers krijgt in ‘Primavera’ alle ruimte. De wezen, ook Cecilia, mogen hun gezicht niet aan de wereld tonen. Actrice Tecla Insolia slaagt er in om met haar zwarte masker en dieprode hoofddoek toch tegen de kijker te blijven spreken. We zochten haar ogen en de milde spot rond haar mond en vónden die ook. Een prestatie van de actrice, maar ook van de regie en de montage. Zo kwam heel de stemming wel over en dat met de nuance van haar personage.

Een eigentijdse afbeelding van het weeshuis

Mopperen kan ik dan ook wel. Niet om anachronismen die alleen de échte kenner opvallen, die zijn er vast, maar het gewone publiek heb je daar verder niet mee. Maar dat op enig moment, als de wezen met een bootje over de bekende lagune varen, op de achtergrond elektriciteitsmasten te zien zijn en volgens mij zelfs het silhouet van de moderne stad aan de andere oever, dát ging me wel hoog. Hier was toch wel een iets ander shot mogelijk geweest, zou ik denken.

Ingenieuzer, haast verbluffend, was de ervaring van het hóren. Die prachtige muziek van Vivaldi kreeg alle ruimte en dat beviel me. De vervoering die het personage van de componist erbij ervaart – het échte leven, vindt hij – bereikte ook het publiek. Het horen ging alleen nog veel verder dan dat. De mauwende katjes in dat ruwe begin, het ruizen van de rokken als de wezen door de kille gangen gaan, de vogels die de lente fluiten – aan al die geluiden is gedacht, ze zitten er góéd in, vervolmaken de ervaring van de toeschouwer.

Na de film

In heel de film zitten motiefjes uit Vivaldi’s ‘Lente’ ofwel Primavera verstopt, wat de kijker natuurlijk als vanzelf terugbrengt bij die muziek, die in onze hoofden zit. Maar in de film zelf horen we dat muziekstuk niet en daarin zit het open einde al beklonken. We komen echt niet te weten wat Cecilia met haar vrijheid doet. Zo weeft iedere kijker zijn eigen verhaal van de indrukken die hij tijdens het kijken van de film heeft opgedaan. Het is er wat mij betreft de grote kwaliteit van. Hoop is heel mooi, maar er kleeft altijd die onzekerheid aan. We weten nu eenmaal niet hoe het leven loopt als we zélf wat te kiezen hebben. Wat dat betreft is het fletse bestaan van de maagdelijke weesmeisjes en hun hoestende muziekleraar een stuk zekerder.

Kleine flikkeringen van liefde, muziek, het lichte ervan, gaan zo over in de zwaarmoedigheid die er toch ook aan is verbonden. Op dat punt gekomen laat Primavera de kijker met gemengde gevoelens achter. Maar dat wel na een rijke ervaring, in beeld en in geluid, en met in ieder geval het verlangen naar die o zo bekende muziek, het verlangen naar de lente, naar het leven en de vrijheid, die we Cecilia zo zijn gaan gunnen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze html-tags en attributen worden ondersteund:

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.