Archief maart 2024

1
Van ‘vrouw’ en ‘mevrouw’ bij de ijsjes
2
Een monument voor het Meslânzers
3
De kindertaal van Roel: afgekort

Van ‘vrouw’ en ‘mevrouw’ bij de ijsjes

Of het met de lente nou al eens wat wordt, dat is onderwerp voor discussie, maar in ieder geval hadden de kindjes vandaag trek in ijs. En ach, een ijsje, dat lustten hun ouders ook wel, na school. We gaven dus toe. Het ijsje is inmiddels op. Mijn gedachten zijn alleen blijven hangen bij een taalsituatie.

Na ons kwam namelijk een klasgenootje binnen, met zijn moeder. Waar zijn moeder precies vandaan komt weet ik niet en het is ook eigenlijk niet belangrijk, maar de lezer moet wel weten dat zij anderstalig is. Ze spreekt het Nederlands als tweede taal. Niet onverdienstelijk, maar wel met een accent natuurlijk. Ik vermoed dat ze het pas als volwassene heeft geleerd.

“Wat kan ik voor u doen mevrouw?”, hoorde ik de verkoopster vragen terwijl ik met Roel aan een tafeltje ging zitten. Het was daarbij zaak om te voorkomen dat hij zijn ijsje uit zou smeren over het meubilair. Het gesprek zou langs me heen zijn gegaan als die vraag niet kort erna was herhaald. Iets luider.

“O? Ben ik aan de beurt?”, reageerde de moeder. “Is die vrouw al geweest?”

Dat was het, daarna gingen de plichtplegingen over en weer zoals ze hoorden te gaan en inmiddels is ook hún ijsje op. Maar: ‘die vrouw’. Het was een duidelijke zin en omdat te horen is dat deze moeder tweedetaalspreekster is nam ook niemand er aanstoot aan, maar toch was het een beetje gek. Een beetje onbeleefd misschien wel. ‘Die vrouw’.

Hier doet het Nederlands iets raars, waar ik nog niet bij stil had gestaan. Als we een vrouw zien, dan zeggen we: “Daar gaat een vrouw, die vrouw fietst, die vrouw koopt een ijsje; die vrouw is al aan de beurt geweest.” Daar is allemaal niets mis mee. Op voorwaarde dat die vrouw geen deel uitmaakt van het gesprek, tenminste. Ze moet het niet horen.

Kinderen zeggen: “Daar gaat een mevrouw, die mevrouw fietst” – en zo verder. Dat doen ze omdat ze dat ergens opgepikt hebben natuurlijk. Het is precies hoe er over mevrouwen en meneren gesproken wordt als ze wél deel zijn van de conversatie.

Je kunt tegen jezelf, in je hoofd, zeggen: “Let op die vrouw!”, net als ze oversteekt. Dat kunnen mensen ook tegen elkaar zeggen als ze in de gesloten ruimte van de auto zitten en die vrouw zien. Maar als je het tegen je zoontje op de fiets roept, duidelijk binnen de gehoorsafstand van de vrouw, dan is het: “Let op die mevrouw!”

En zo had het nu eigenlijk ook moeten zijn. “Is die mevrouw al geweest?”

Gek is het, want die vrouw maakt verder nog steeds geen deel uit van het gesprek, maar toch. Door ‘mevrouw’ erken je haar aanwezigheid. Je erkent dat ze je hoort. En ze kan ook antwoorden op de vraag trouwens, zonder dat dat merkwaardig zou zijn: “Ja hoor, ik ben al geweest, gaat u maar.” Daarvoor dient ‘die mevrouw’. Of: ‘die meneer’.

Het is een subtiele beleefdheid, maar van een anderstalige begrijpen we natuurlijk best dat zo’n subtiliteit niet altijd vlekkeloos is aangeleerd. Wie herinnert zich zelf eigenlijk nog hoe ‘ie dit geleerd heeft? Dat moet toch al vele lentes geleden zijn.

Een monument voor het Meslânzers

Midslands, heet het in het Nederlands, maar in het woordenboek dat vorige week van deze kleine Waddentaal verscheen, lees je vooral ‘Meslânzers’. In oudere bronnen komt ook nog wel de spelling ‘Meslônzers’ voor. Ergens daartussen ligt de werkelijke klank van dit woord, maar wie dat horen wil, moet er een lange reis voor overhebben. Meslânzers wordt gesproken op het midden van Terschelling.

Terschelling is lang en vrij smal, tenminste, voor wie het met Texel vergelijkt. Het is een richel duin met wat bescheiden polders aan de waddenkust, met dan aan het westeinde die geweldige vuurtoren waar de boot op aan vaart, en in het oosten een wildernis van platen en kreken waar de menselijke taal verstomt.

Op het kleine stukje wereld waar wél Terschellingers wonen, daar spreken zij minstens vier talen. Nederlands, natuurlijk, maar dat is pas van de laatste tijd, die taal is aan komen spoelen met de badgasten en het onderwijs. Het bijzonderste zijn toch wel de drie éígen talen van Terschelling: Westers, Aasters, Meslânzers. Twee van die talen zijn Friese dialecten die aardig afwijken van wat er op het Friese vasteland voor Fries doorgaat. Het Meslânzers, dat is – ja, wat eigenlijk?

Een taal met een woordenboek én een grammatica

Het Meslânzers was tot voor kort het minst beschreven Waddendialect, als we het uitgestorven dialect van Vlieland buiten beschouwing laten. Er was geen grammatica van, geen woordenboek; de beginnetjes die er waren konden niet tippen aan de woordenboeken die er over Westers, Aasters, Schiermonnikoogs, Amelands en Tessels verschenen waren. Aan die scheefgroei heb ik zelf nog bijgedragen ook door mijn eigen dikke boek over het Tessels, maar daar stond dan tenminste nog een hoofdstukje over het Meslânzers in. Met in dat hoofdstuk gelukkig wel het bericht dat er aan iets geschreven werd.

Het boek, met de kerk van Midsland op de kaft

Nu is dat er: het Meslânzer Woardeboek. 286 bladzijden telt het en op die bladzijden staan niet alleen maar woordenlijsten, er is ook een stevige grammatica in het Woardeboek opgenomen. Geweldig. Hier is duidelijk werk in gestoken, door de Meslânzers zelf (Triny Martens, Gettje Pals, Piet Smit en Nel Swart vormden de ‘werkgroep Meslânzers’), maar zeker ook door de Friese taalkundige Siebren Dyk.

Siebren Dyk is in deze materie geen onbekende naam. Dyk verzorgde eerder ook al de woordenboeken over het Amelands en het Hylpers, met bij dat laatste woordenboek óók al zo’n prettig uitgewerkte grammatica.

Die grammatica is het gouden randje van het Meslânzer Woardeboek. Dat we nu in een heldere uitleg kunnen lezen dat men in het Meslânzers, net als het Engels, stemhebbende medeklinkers ook stemhebbend uitspreekt op het woordeinde – dus: braav, echt waar – dat is een ontzettende rijkdom. Daar kan heel de Nederlandse taalkunde mee toe, ik zou zelfs zeggen: dit feitje mag voortaan niet onvermeld blijven in de inleidingen op onze klankleer. En dat is dan nog maar het begin van die grammatica.

Zo heb je haast heel de taal in handen met dit Meslânzer Woardeboek en dat is meer dan mooi. Later dan al die andere eilandtalen, maar tóch: het Meslânzers heeft nu een eigen spelling, een eigen grammatica en een eigen woordenboek waaruit wie wil veel van deze taal leren kan.

Een plekje op de dialectenkaart

Met zo’n boek in handen moet de vraag wat voor taal dat Meslânzers nou is toch best te beantwoorden zijn. Maar de moeilijkheid is toch wel dat ieder hier een eigen bril opzetten kan. Voor mij, natuurlijk, is dit boek in de eerste plaats een feest van herkenning. Het Midslands heeft onmiskenbaar veel woorden, klanken en ook taalregels met het Tessels van mijn familie gemeen.

Met ’n Tesselse bril op

Ik heb daar ook bést naar gezocht, natuurlijk. Dat het Midslandse scheap rijmt op het Tesselse skéép (schaap), dat wist ik al en het is bijzonder genoeg, want in het Amelands is het skaap en zo is het in Harlingen of in ’t Bildt ook. Deze overeenkomst tussen het Midslands en de dialecten van Texel, maar ook Wieringen, Enkhuizen en vroeger Vlieland, prikkelt eenieder die in het Midslands een gaaf oud Hollands wil zien. Met scheap, maar ook met sleape, dread, sead en zelfs een readhús (raadhuis), allemaal ee-klanken voor wat in de Standaardtaal een aa geworden is.

Een ander zal misschien kijken naar woorden die in deze taal verdwaald lijken, die naar andere talen wijzen. Waar in het Meslânzers gezegd kan worden dat het braav drok is, daar valt te denken aan het Zweedse bra, dat ook op ‘braaf’ teruggaat, maar net als in het Meslânzers versterkend kan worden gebruikt (‘zeer druk’). En wat te denken van et smaakt as eul, voor iets dat lekker is. Moet ik hier aan een Noord-Europees biertje (öl/øl) denken? Of is dat mijn bierbril…

Siebren Dyk spreekt natuurlijk geen Tessels, zijn referentiekader is het Fries en ook met die taal zijn er genoeg overeenkomsten aan te wijzen. Dat laat Dyk dan ook niet na: in de grammatica wordt steeds de vergelijking met het Fries gemaakt. Dat geeft extra gelaagdheid aan de uitleg die gegeven wordt en dat is mooi. Maar niet altijd voegt dat helemaal. Waar Dyk het Meslânzer jij lope vergelijkt met de Friese verbuiging van jo (de vertaling zou jo rinne zijn, dus ook met -e), daar miste ik als Noord-Hollander toch wel de vermelding van het Westfriese jij loupe. Zulke vormen staan misschien in een groter, zelfs ander verband.

Fragment van de grammatica

Dyk ziet het Meslânzers ook in de eerste plaats als een vermenging van Fries en Hollands. Dat maakt die vergelijking met het Fries relevant, daar waar ik eerder zal denken: dit is gaaf Noord-Hollands, al hebben die mensen wel altijd Friestalige buren gehad, maar kijk dus zeker ook naar Texel en de rest van Noord-Holland. Het is een oude discussie die nog steeds gevoerd wordt.

Dat die discussie er is, dat is ook wel heel mooi natuurlijk. We misten dit woordenboek nou juist zo omdat we allemaal wel wisten dat het materiaal nieuwe invalshoeken kon bieden. Al hoeven natuurlijk lang niet al die invalshoeken, al die interpretaties en overwegingen ook in een woordenboek te komen. De verdienste van het woordenboek moet toch eerst en vooral zijn dat al dat materiaal erin verzameld staat.

Een monument met toekomst

Die verzameling is geweldig. Goed, niet alle woorden staan erin. Dat bijvoorbeeld ‘kunnen’ wel, maar ‘kennen’ niet is vertaald, dat viel me wel op. Maar er zijn gelukkig veel mooiere woorden. De kantlucht aan de horizon, de selling op het strand, de fúketakke in het Wad: ze schilderen het eiland, dat blijft prachtig. Veel plantennamen, viel me op, daar is echt op gelet. En dat wat we op Texel nog wel tittelóze noemen in deze taal tytloas heet, dat kon ik met mijn Tesselse bril op natuurlijk weer extra waarderen.

Zo’n materiaalverzameling moet ook geen besluit zijn, geen graftombe voor een verdwijnende taal – dat zou echt veel te hard zijn. Niet in steen, maar in hout is hier gebeiteld, dit woordenboek mag een begin zijn. Van méér schrijven in het Meslânzers, meer toneel, meer optredens. Ook de terugkerende toerist heeft nu iets om op terug te vallen, zelfs bij discussies over de klemtoon van Formerum en Landerum. Ieder kan er het zijne mee.

De eilanders lieten in eerdere publicaties over hun Meslânzer Woardenboek al merken dat ze daar klaar voor zijn: meer doen met het Meslânzers, meer doen met de Terschellingerr taalrijkdom in het algemeen. Het woordenboek koestert de taal, maar mag haar ook een beetje vrij laten. Dan kan het Meslânzers zeker nog wel even mee als die bijzondere eilandtaal op de randen van onze dialectkaart.

  • Meslânzer Woardeboek
  • Siebren Dyk (redactie), Triny Martens, Gettje Pals, Piet Smit & Nel Swart (werkgroep)
  • Afûk, Leeuwarden 2024
  • Online te bestellen

De kindertaal van Roel: afgekort

Roel houdt van taal en hij houdt van pinguïns. Het liefst had hij ze al in het wild ontmoet, die pinguïns. Toen we vorig jaar in de Alpen waren was het best een teleurstelling dat ze daar niet leefden, in de eeuwige sneeuw. Dat had hij eigenlijk wel gedacht. Gelukkig was daar dan de taal om het leed te verzachten, want Roel houdt ook erg van de Duitse taal.

Roels liefde voor taal uit zich ook in taalspel. Het verzinnen van eigen afkortingen is daar een voorbeeld van. Daar worden we dagelijks aan herinnerd als Roel ons vertelt over de vele belevenissen van ‘Kei’. Kei is een personage met een eigen stem, eigen interesses en ook weer een eigen taalgevoel, want een beetje Duits kan hij ook. Kei gaat dan ook mee op iedere reis die we maken.

Kei is een keizerspinguïn. Een knuffel.

Kei op Texel

Toen Kei aan ons huishouden werd toegevoegd heette hij nog ‘Keizerspinguïn’. Roel heeft meerdere ‘Pinguine’ (hij geeft de voorkeur aan het Duitse meervoud), dus het is goed om een onderscheid te kunnen maken. Er is ook nog ‘Grote Pinguïn’, de oudste van het stel knuffels, en er is ‘Pinga’, de kleinste. Die heeft z’n naam te danken aan een personage in de onvolprezen reeks Pingu.

Maar er heeft dus een algehele verkorting voorgedaan. Roels voorkeur voor afkortingen was ons al langer duidelijk. Op vakantie in Brussel herdoopte hij het door hem zeer bewonderde Atomium liefkozend tot ‘Atomie’. En toen later vuurtorens op een gelijkaardige bewondering konden rekenen, had hij het al gauw over een uitstapje naar ‘Vu’. Dus zeker, ‘Kei’ zat er gewoon dik in.

Ook de andere leden van het pinguïngezin zijn intussen afgekort. Pinga heet nu ‘Pin’ en de vaderfiguur in het gezin gaat als ‘Gro’ door het leven. Roel is consequent.

Zelf heb ik natuurlijk ook knuffels gehad, vroeger, maar ik gaf die zulke koosnamen niet. Enkele van die knuffels heb ik wel bewaard, dat wel. Knuffels weggooien, dat gaat zomaar niet. Iets van de kinderlijke vertedering is blijven hangen.

Zo kan het dat er in ons huis een zeehondenknuffel van zeker dertig jaar oud werd aangetroffen door Roel en Siem. Die zeehond ligt nu weer in het ouderlijk bed, want dat ik die knuffel in een lade bewaarde, dat ging er bij de kinderen niet in. Er wordt goed op gelet dat de knuffel nu naast mijn hoofdkussen blijft liggen. Voor die knuffel moet die plotselinge herwaardering toch een hele ervaring zijn. En zowaar heeft het dier er nu ook een koosnaam bij, want mijn pluche bedgenoot heet in dit huishouden ‘Zee’…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.