De taal van Vischjager

Het is al járen geleden dat ik met Henk aan de Bosbaan afsprak. We gingen daar zitten op het terras, keken uit over de vijver die een landingsbaan lijkt, en hebben zitten wachten tot Thamon kwam. Die nog kwam ook.

In dat gesprek vroeg Henk aan mij of ik er misschien aardigheid in zou hebben om een taalcolumn te beginnen in .RadioDieperick. Ik weet niet eens zeker of .RadioDieperick toen al zo heette, want vaker nog zeiden Henk en Thamon: „Hoebedoelu”. En ze vroegen aan mij of ik Julius Vischjager kende.

Na het Amsterdamse Bos volgde de studio, Pakhuis De Zwijger, Radio Salto en dat werd voor heel wat jaren mijn vaste decor op vrijdag. En zeker, hij was daar, vaste prik en niet te missen: Julius Vischjager. Als hij binnenkwam kwam er een hele wereld binnen, het leek wel een fanfare, en toch was ‘ie meestal in z’n eentje of samen met een pluche knuffeldier. Dat dier heette Poezaa zei ‘ie dan.

Ik hield mijn column over taal en schoof niet zelden ook aan bij Julius, als er voor zijn uur geen gast geregeld was. Of als die gast niet op kwam dagen, wat natuurlijk ook gebeurde. Het was een vrolijke chaos en het toeval wil dat ik daar dol op ben, op vrolijke chaos. Het kon niet anders of ik werd ook een beetje dol op Julius.


De taal van Vischjager was meer dan „Poezaa”, al is ook dát woord eigenlijk al veelzeggend. Maar meer, veel meer: een rijke fanfare van associaties en gedachtesprongen. Daar zat ik dan tegenover, als niet al te succesvolle student Nederlands. Ik dacht dat ik de enige was die zo weelderig dacht en had éindelijk geleerd mijn voortdurende associaties en woordspelingen een beetje vóór me te houden. En dan zat daar Julius, die zich er voortdurend in verslikte en verstrikte en daar net zo makkelijk weer uit ontsnapte.

Julius’ taal was om te beginnen vol van namen. Margaret Thatcher, die wist van The Daily Invisible, die had er naar gevráágd. Ze was er zelfs van ontdooid geraakt, zei Julius, wat ik eigenlijk betwijfelde.
En Reve, Gerard Reve dus, die had hem van z’n Friese erf gejaagd, wat wél waar was, het stond in een boek en in een ander boek werd Julius ook bedoeld. Hoebedoelu?

Maar namen werden ook spel, een criminoloog werd een criminele criminoloog en altijd zat overal wat achter, ook als dat er toch duidelijk niet achter zat. Het maakte zijn uitzending onnavolgbaar. Maar wie vraagt er nou nog naar wat er schuil ging achter Crailo in het Gooi?

Onnavolgbaar. Een woord dat Julius achtervolgde was „onnavolgbaar”. In al zijn necrologieën die deze week verschenen – ik heb de kranten er op nageslagen – in allemaal werd hij onnavolgbaar genoemd.
Zo noemde Henk hem hier ook wel: Julius, je bent onnavolgbaar, maar we houden van je, platonethisch. Daar ging Julius dan tegenin, want onnavolgbaar, wat was dat nou? En nu dan, in mijn taalcolumn, mijn eigen kleine necrologie, zeg ik het ook ook nog eens: onnavolgbaar, dat woord paste bij hem. Daar had hij kwáád om kunnen worden en ik zeg het toch.

Kwaad zijn was ook een spel. Tijdens en na de radio-uitzendingen wisselden we vrolijke beledigingen uit. Julius zei alles en bedacht alles, associeerde en galoppeerde. Alles mocht gezegd worden en misschien moest dat ook wel. In de NRC schreven ze deze week over hem dat hij symbool stond voor het Amsterdam waarin alles maar mócht en kón. Bij de NRC denken ze geloof ik dat dat nou over is. Maar ter zake.

Beledigingen, een kunst. Kwinkslagen, een spel. Een joodse belediging, zo leert de volkswijsheid, is om iemand „veel personeel” toe te wensen. Dan wens je ze een begrafenis. Een politie-belediging, zo leert .RadioDieperick, is om een ander een drijflijk te wensen. Tja!

Maar Poezaa is niet de naam van een politicus of van een volkschrijver. Zo heette de pluche lapjeskat, die geen lapjeskat was maar kom, laat míj nou ook eens associëren, dit komt uit Meester Prikkebeen. Onnavolgbaar.

Een pluche rode kat was Poezaa en met die pluche rode kat sleepte Julius rond, alsof ‘ie een kind was. Dat kind, bedacht ik later, toen ik meer van hem was gaan begrijpen en toen ik wist, waar hij zélf vandaan kwam… Dat kind is wie Julius altijd was en bleef. Maar een kind onnavolgbaar noemen, dat deugt toch eigenlijk niet. Een kind wijst de weg.

Julius ging deze week voor de laatste keer weg, naar een diepte toe waar niemand hem zal willen volgen. Maar hij ging niet zonder rimpeling. Een drijflijk, een verwensing, een laatste mysterie en nog maar eens, omdat ik het nu ook weer zeg, en meen gezien te hebben: laat een kind je de weg wijzen. Associeer en speel. Volg wie onnavolgbaar is.

Tot de onnavolgende keer, Julius.

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.