Franekers beschreven en vergeleken

Zaterdag zag ik Wieringen, Harlingen en als het niet zo mistig was geweest, had ik vanaf de Afsluitdijk vast Texel ook gezien. Heel het dialectlandschap uit mijn boek en dan ook nog in grijstinten, zoals ik het zo graag zie en beschreven heb – ik had toch maar geluk, al hing me dan een lockdown boven het hoofd. De bus bracht me naar de trein en die reed naar Franeker, dáár moest ik zijn. In Franeker werd afgelopen zaterdag namelijk een bijzonder dialectboek gepresenteerd, het uitzonderlijk uitgebreide Franeker Woardeboek.

Franekers in Tesselse oren

Ik kwam uit Alkmaar, maar de Franekers dachten wel, dat ik van Texel kwam. Dat was te begrijpen, want ik was er omdat ik dat boek over het Tessels heb geschreven, “Tessels. Taal over zee”, het dikke boek waar ik de afgelopen weken mee rondzeul, omdat ik het zo graag aan iedereen persoonlijk wil bezorgen. Wat natuurlijk eigenlijk niet kán, maar als het om dialectboeken gaat, dan willen mensen voorbij het mogelijke gaan. Dat werd ook wel duidelijk tijdens de presentatie van het Franeker Woardeboek.

Dramme, dat was het Franeker woord dat het meest bleef hangen, al is dat natuurlijk helemaal geen bijzonder woord. Dat hoeft ook niet, het Stadsfries van Franeker is niet bijzonder omdat het zo exotisch is (zoals het Schiermonnikoogs of zo), het is bijzonder omdat het zo vertrouwd voelt, voor wie Tessels spreekt en zelfs voor wie Nederlands spreekt. Hier hoor je het vroegere “algemeen beschaafd” van Friesland in terug, de taal die Friezen spraken als ze buiten eigen kring kwamen (ze vertrokken met een hynder van de boerderij maar verkochten het als eem peard op de markt), de taal die in Franeker door professoren en studenten werd gesproken toen de Academie er nog was, de taal die in de stad de moedertaal van de Franekers werd en er het Fries wist te verdringen. Zo is het Franekers een plaatselijke variant van een noordwestelijk Standaardnederlands waar ook m’n eigen Tessels onder te scharen valt. Vanzelfsprekend sprak ik dan ook Tessels met de Franekers, en zij Franekers met mij. Dat kan best.

Maar dramme dus. Dat is wat een woordenboekenmaker doen moet, anders wordt het nooit wat. En Wim Aalbers had het gedaan, hij had gedramd, steeds opnieuw, en spoorde zo heel het Genoatskap foar ut Behoud fan ut Franekers aan om er wat bijzonders van te maken. In het bijzonder Anneke Tulp en Annalies van der Pol-Bouma hebben er veel geduld voor over gehad, bleek wel uit de speldenprikjes die tijdens de presentatie uitgedeeld werden. Een ondankbare klus misschien, dramme, maar uiteindelijk kwam de dankbaarheid dan toch, in veelvoud. Wat een werk is er verzet! Het boek was zonder dramme toch anders geworden, het was er misschien zelfs niet geweest. Dan was het Franekers niet het best beschreven Stadsfries geweest en nu is het dat wel.

Franekers: het best beschreven Stadsfries

In mijn eigen dikke dialectboek, Tessels. Taal over zee vergelijk ik de taal van m’n familie met dialecten die er wel op lijken. Wierings bijvoorbeeld, Vlielands, Midslands, Amelands. Maar ook Bildts, Fries en Stadsfries. Voor het Stadsfries had ik dan altijd het probleem dat de meeste beschrijvingen van Stadsfries over het Leeuwarders gaan, terwijl Leeuwarden voor Texel niet zo relevant was. Texel was immers geen deel van Friesland, met het Leeuwarder bestuur had men er niet te maken, en Leeuwarden op zijn beurt was geen haven aan de Waddenzee. Als het even kon keek ik dan ook liever naar Harlingen. Maar ja, het Leeuwarders was nu eenmaal beter, preciezer beschreven, daar kon ik niet omheen.

Nu is dat dus veranderd. Wat het Franeker Woardeboek zo bijzonder maakt is dat juist die vergelijking, die mij zo fascineert, er gedetailleerd in is uitgewerkt. Ieder Franeker woord is vertaald in het Nederlands, natuurlijk, maar indien die kon worden gevonden, is ook de vergelijkbare vorm in het Leeuwarders, Bildts en Fries gegeven. Waar veel dialectboeken juist een punt maken van wat “anders” is, van de “verschillen” (al dan niet uitvergroot), daar maakte het Genoatskap werk van de overeenkomsten. Want dát is toch wat taal vermag: taal staat altijd in verband, taal communiceert en doet communiceren, een dialect is geen eiland maar een haven. Wat ik voor het Tessels heb willen schrijven, dat hebben de Franekers voor Franeker geschreven. En voor de rest van Friesland.

Want dat is misschien wel het mooiste: “het best beschreven Stadsfries”, dat hoeft het Franekers niet te blijven. Integendeel, het Genoatskap was er juist heel enthousiast over dat het Franeker Woardeboek in Dokkum nu als uitgangspunt genomen werd voor een nauwkeurige beschrijving van het Dokkums. Misschien dat de kanoekers, zoals de Harlingers blijkbaar worden genoemd omdat ze daar kanne en oek zeggen (voor “kunnen” en “ook”), het Franeker voorbeeld ook wel volgen, al is dat niet de gewoonte in Harlingen (tussen beide steden bestaat een gezonde rivaliteit). Voor heel het Stadsfries is deze “Franeker methode” een geweldige kans. Laten we hopen dat al deze dialecten dadelijk net zo uitgebreid beschreven én vergeleken worden, voordat ze verdwijnen in de mist van de tijd.

Franeker Woardeboek

Te bestellen bij Afûk.

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.