Categorie Boeken

1
Naar de film: hopen op ‘Primavera’
2
De Woongroep voor iemand anders
3
Altijd Schokker blijven – of worden
4
In het museum
5
“Tessels. Taal over zee” in druk
6
Na het boek
7
De rode maan
8
De kroon op de kerk
9
De spiegeling van een eiland
10
Niet meer naar Friesland

Naar de film: hopen op ‘Primavera’

Anders schrijf ik hier over boeken, maar films zijn toch óók verhalen – die passen hier best. Als het tenminste films zijn waar ook echt een verhaal in zit, dat lijkt me een vereiste. Alléén maar beeld en geluid is niet genoeg. Gelukkig gaf de film ‘Primavera’, die woensdag zijn Alkmaarse première beleefde, genoeg om over na te denken.

Nieuw is de film toch eigenlijk niet, 2025 is het jaartal dat aan de film is meegegeven – en het boek, want deze film is toch ook weer gebaseerd op een boek, komt uit 2008. Dat boek had een andere titel: Stabat mater. Aan Primavera, geregisseerd door Damiano Michieletto, is nog de tweede titel Vivaldi en ik meegegeven en dat brengt ons meteen bij één van de hoofdpersonages: Antonio Vivaldi, de componist van de lente, die zijn werkzame leven sleet in een donker meisjesweeshuis in Venetië, waar hij de jonge vrouwen onderwees in zijn muziek, zodat ze al spelende voor de noodzakelijke giften konden zorgen.

Antonio Vivaldi treft tussen deze wezen Cecilia, de ik-verteller die de kijker dan al uitgebreider heeft leren kennen. Ze is het meisje dat in de even krachtige als hopeloze openingsscène haar rug recht, in verzet gaat tegen moeder overste, als die een nest jonge katjes in een Venetiaanse waterloop gooit. Tevergeefs natuurlijk, maar toch. Uit Cecilia spreekt hoop en uit de muziek die Vivaldi haar zal leren spelen óók. Daar gaat het om in deze film.

Ingehouden intimiteit

Die hoop kan ook romantische hoop zijn, maar of dat in deze film ook echt zo is, dat mag de kijker zelf bepalen. Ontegenzeggelijk is er chemie tussen Vivaldi en Cecilia, maar hij is priester en zij, door de bizarre bepalingen van het weeshuis waar ze in is opgegroeid, moet maagd blijven. De muziek is hier de minne en daar blijft het ook bij. De hoop die eruit spreekt geeft Cecilia wel vrijheid, maar geen zekerheid. Daar zit ook wel de kracht van het verhaal, waarover zo meer.

Cecilia en Vivaldi, gespeeld door Tecla Insolia en Michele Riondino. Beeld: Warner Bros. Entertainment / Kimberley Ross

Eigenlijk wint in deze film, op het oog toch een kostuumdrama in een setting waar vooral sombere maatschappelijke normen uit spreken, wel degelijk de vrouw. Alle ervaringen, of die nu religieus, muzikaal of op het randje van erotisch zijn, blijken vooral voor Cecilia’s éigen ontwikkeling van belang. Ze weet die mannen met hun pruiken en hun principes uiteindelijk voor haar eigen vrijheid te benutten en omgekeerd leveren die mannen er vooral wat voor ín.

Beeld – én geluid

Echt hoeft natuurlijk niet, het is fictie, maar de betovering wordt wel groter als de kostuums en de ruimte kloppen. De esthetiek van de oude mode en de Venetiaanse maskers krijgt in ‘Primavera’ alle ruimte. De wezen, ook Cecilia, mogen hun gezicht niet aan de wereld tonen. Actrice Tecla Insolia slaagt er in om met haar zwarte masker en dieprode hoofddoek toch tegen de kijker te blijven spreken. We zochten haar ogen en de milde spot rond haar mond en vónden die ook. Een prestatie van de actrice, maar ook van de regie en de montage. Zo kwam heel de stemming wel over en dat met de nuance van haar personage.

Een eigentijdse afbeelding van het weeshuis

Mopperen kan ik dan ook wel. Niet om anachronismen die alleen de échte kenner opvallen, die zijn er vast, maar het gewone publiek heb je daar verder niet mee. Maar dat op enig moment, als de wezen met een bootje over de bekende lagune varen, op de achtergrond elektriciteitsmasten te zien zijn en volgens mij zelfs het silhouet van de moderne stad aan de andere oever, dát ging me wel hoog. Hier was toch wel een iets ander shot mogelijk geweest, zou ik denken.

Ingenieuzer, haast verbluffend, was de ervaring van het hóren. Die prachtige muziek van Vivaldi kreeg alle ruimte en dat beviel me. De vervoering die het personage van de componist erbij ervaart – het échte leven, vindt hij – bereikte ook het publiek. Het horen ging alleen nog veel verder dan dat. De mauwende katjes in dat ruwe begin, het ruizen van de rokken als de wezen door de kille gangen gaan, de vogels die de lente fluiten – aan al die geluiden is gedacht, ze zitten er góéd in, vervolmaken de ervaring van de toeschouwer.

Na de film

In heel de film zitten motiefjes uit Vivaldi’s ‘Lente’ ofwel Primavera verstopt, wat de kijker natuurlijk als vanzelf terugbrengt bij die muziek, die in onze hoofden zit. Maar in de film zelf horen we dat muziekstuk niet en daarin zit het open einde al beklonken. We komen echt niet te weten wat Cecilia met haar vrijheid doet. Zo weeft iedere kijker zijn eigen verhaal van de indrukken die hij tijdens het kijken van de film heeft opgedaan. Het is er wat mij betreft de grote kwaliteit van. Hoop is heel mooi, maar er kleeft altijd die onzekerheid aan. We weten nu eenmaal niet hoe het leven loopt als we zélf wat te kiezen hebben. Wat dat betreft is het fletse bestaan van de maagdelijke weesmeisjes en hun hoestende muziekleraar een stuk zekerder.

Kleine flikkeringen van liefde, muziek, het lichte ervan, gaan zo over in de zwaarmoedigheid die er toch ook aan is verbonden. Op dat punt gekomen laat Primavera de kijker met gemengde gevoelens achter. Maar dat wel na een rijke ervaring, in beeld en in geluid, en met in ieder geval het verlangen naar die o zo bekende muziek, het verlangen naar de lente, naar het leven en de vrijheid, die we Cecilia zo zijn gaan gunnen.

De Woongroep voor iemand anders

Ook in onze flat staat nu een buurtboekenkastje. Daar mag trouwens ook nog houdbaar eten in, dus je vindt er tussen de oude schoolboeken en stapels drukwerk in vreemde talen ook pakken rijst en van die saus in poederpakjes, die alleen Nederlanders lijken te eten en ik niet eens. Soms verschijnt er ook iets in de kast dat niet houdbaar was, daar hebben de buren die met de kast begonnen zijn dan weer werk aan, en gemopper.

Op de boekenplanken, dat zijn de bovenste planken om de een of andere redenen, kijk ik toch wel wekelijks. Dan zie ik telkens weer de boeken terug die ik er zélf heb ingezet, mijn onderpand, waar dus maar weinig publiek voor is. De boeken die andere dan weer achterlaten, daar ben ík niet erg het publiek voor. Zo gaat het met veel van die kastjes. Maar ik wil soms best wat lezen waar ik het publiek niet voor ben.

Met dat in gedachten haalde ik er een paar weken terug De woongroep uit, door Franca Treur. Haar naam verbond ik met een ander boek, over opgroeien in een gereformeerd dorp op een eiland. Dat heb ik nog altijd niet gelezen, terwijl ik toch graag over eilanden lees. Maar zo’n woongroep kan natuurlijk ook best als eiland dienen, het onderwerp interesseerde me wel, en het leek me mooi meegenomen om zo eens kennis te maken met Treur, die toch een bekende schrijver is.

De schaduw van de recensenten

Wat ik vooraf over De woongroep las had me wel op andere gedachten kunnen brengen, want er is toch veel onaardigs geschreven over deze roman. Het viel de recensenten niet mee dat het boek zo anders was dan dat boek over het gereformeerde dorp. Dat boek, Een dorsvloer vol confetti, hadden ze ’n paar jaar eerder nog geprezen, al vonden de gereformeerden die erop reageerden dat het wat al te eenzijdig en te lichtvoetig was, maar ja, zij waren het ook die in dit boek op de korrel waren genomen, dat was wel duidelijk.

Verderlezen…

Altijd Schokker blijven – of worden

Schokland is geen eiland meer, toch zal het dat altijd blijven: een eiland, een herinnering, een legende zelfs. Een plek voor verhalen en verbeelding. Het eiland kan gebruikt worden voor gelaagde fictie, liet Haro Kraak zien in zijn roman ‘Het water bewaart ons’, en hij is zeker de enige niet die zich door het smalle strookje ander land in de Noordoostpolder liet inspireren. Maar het échte Schokker verhaal moeten we zoeken in ‘Het eiland van Anna’ door Eva Vriend.

‘Het eiland van Anna’

Dat eiland van Anna is Schokland dus, en eigenlijk juist niet, want deze Anna Diender (1910-1988) werd geboren toen Schokland al lang niet meer bewoond werd. Wél was het nog een eiland, dat wel; de Noordoostpolder moest nog droogvallen. Maar Anna was geen Urkse of Wieringse die dat vanuit haar keukenraampje zag gebeuren, ze was een vastelander, een vrouw uit Brunnepe bij Kampen. Daar groeide ze op tussen andere vastelanders die tegelijk eilanders waren, in hun hoofd en ook in de hoofden van anderen: Schokkers. Mensen van Schokland.

Deze merkwaardige situatie was ontstaan in 1859. Toen was Schokland ontruimd, of ‘opgeruimd’ zoals toen wel gezegd werd. “Opruiming. Het verschilt twee letters met ontruiming, maar het klinkt veel harder”, merkt Vriend daarover op.

Verderlezen…

In het museum

Nu ik weer een museumkaart heb, en twee kinderen ook, zie ik zo nu en dan een museum van binnen. Het zal een jaar of tien geleden zijn geweest dat ik voor het laatst een museumkaart had. Ik werkte wel nog een tijdje in een biermuseum, maat dat was een ouderwets museum, met informatie en een chronologie en van die dingen. Wat ik tegenwoordig in musea zie is toch wel wat anders.

Verderlezen (in het Fries)…

“Tessels. Taal over zee” in druk

Het is gedrukt!

Heel mijn dikke dialectboek. Ik kan het nu in m’n handen houden en dat is toch wel heel bijzonder. Er zit toch vijf jaar werk in, natuurlijk… En nu is het een pak papier, met een mooie kaft erom, en een leeslint erin. Een beetje luxe mag best.

Je kunt het boek online bestellen in mijn boekwinkel: “Tessels. Taal over zee” (druk: €50,-; e-boek: €10,50).

Na het boek

Nu dat mijn boek af is, wacht ik. Zo’n boek is eigenlijk nooit klaar hoor. Maar ik kan er nu niets meer aan veranderen, dat heeft de drukker gezegd, dus het is wel definitief. Ik kan niets meer doen. Ik wacht,

Nou weet ik ook al niet zo goed maar wat ik zou móeten doen. Het is een soort lockdown, een boek af hebben.

Verderlezen (in het Fries)…

De rode maan

De maand zou groot en rood moeten zijn, maar ik zag daar niks van. Op andere dagen was de maan rond half tien goed te zien, boven het dak en net voorbij die ene boom die tegen de wind in was gegroeid. Maar nu niet. Het was licht genoeg om het opschrift op het bord nog te lezen, “Vanavond Supermaan – 21:40 op z’n mooist”, en 21:40 wás het, daar kon het niet aan liggen. Ik moest maar op de dijk nagaan of de maan wel te zien was.

Verderlezen (in het Fries)…

De kroon op de kerk

Nu zie ik de kerk terug. Dat kan hier alleen in de winter, als de bomen zonder blad zijn en het torentje door de takken heen komt. Een echte toren heeft onze kerk niet, alleen maar er is een klein ding op gezet waar de klokken in luiden, dat staat in het midden van het grote schip, het schip met rondom ramen en het leien dak. Daar kijk ik naar.

Verderlezen (in het Fries)…

De spiegeling van een eiland

Gaat een eilander op vakantie? Die vraag krijgen Texelaars wel eens van de toeristen die er komen. Het antwoord verschilt natuurlijk van persoon tot persoon. Mijn vader kan in zo’n geval in ieder geval vertellen dat hij in zijn Texelse jeugd één keer op vakantie is geweest. Dat was een tochtje naar Urk, waar mijn opa netten moest hebben, of iets anders dat met z’n werk te maken had – het is maar wat je vakantievieren noemt.

Gaan Urkers op vakantie? Jawel, weet ik nu. Sommigen gaan zelfs heel ver weg, naar Spanje of naar Los Angeles. Maar er zijn er ook die op de camping van Urk gaan staan, samen met andere Urkers, omdat je daar elkaar tenminste kent. Het is één van de vele vrolijke feitjes die ik haal uit De ontdekking van Urk, door de Vlaamse journalist Matthias M.R. Declercq. Een half jaar woonde hij op het eiland om het te leren begrijpen en zijn boek is daar de weerslag van.

Eiland op, eiland af

Een boek over een eiland, zelfs al is dat eiland niet echt een eiland meer, dat fascineert mij natuurlijk. Ik begon aan De ontdekking van Urk ook zeker met de hoop er iets van Texel in te herkennen, het eiland van mijn familie; ook iets van Wieringen misschien, dat inmiddels óók een eiland van familie geworden is en net zo „eiland af” als Urk. Maar daarnaast was er bij mij toch vooral dezelfde fascinatie die ook Declercq gegrepen heeft: Urk als iets onbekends en ongenaakbaars, een verre wereld. Exotisme.

Dat exotisme houdt de Urker graag in stand: Verderlezen…

Niet meer naar Friesland

Schrijf die column nou, zegt de grote dichter Knilles in een kort mailtje. Jawel, die column, die moest ook nog. Daar ben ik anders ook wel eens laat mee, de redactie van Ensafh zal er wel niets achter zoeken als ik er even mee wacht. Maar nu is het wel erger. Ik kom er nauwelijks toe, in het Fries te schrijven. Ik ben al zo lang niet meer in Friesland geweest!

Verderlezen (in het Fries)…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.