Archief 2018

1
Menno Wigman en het kustvolk
2
’n Tekening van de veerhaven
3
De verengelsing van het hoger onderwijs
4
Afscheid van de veerboot Schulpengat
5
De kindertaal van Siem: de kracht van herhaling
6
Oude reizen: Duitslandreis 2009

Menno Wigman en het kustvolk

Eergisteren dacht ik zomaar aan Menno Wigman. Die gedachte heet nu ineens wrang toeval, want vandaag is de dichter dood. Niet zomaar, hij was ziek, maar dat wist ik niet. Toen ik eergisteren aan hem dacht ging ik er nog van uit dat hij lang zou leven. Menno Wigman werd 51.

BurgerbrugDat ik aan hem dacht heeft met mijzelf te maken en met de streek waar ik ben opgegroeid. De Noordkop, de kust daar, Burgerbrug, de polders en de geestgronden, Petten, de zeedijk en de kernreactor. Ik ben onderdeel van het kustvolk waarover Wigman schreef dat het “duurt en duurt”. Ik moest aan zijn gedicht over mijn streek denken omdat ik naar een oud kaartje staarde, Hollands Noorderkwartier in 1300, toen wij hier nog veel meer “een scheur in de natuur” waren dan tegenwoordig, of juist niet, misschien scheurde de natuur toen wel door ons. Hoe Wigman die woorden precies bedoelde, vroeg ik me af. En hoe hij ertoe kwam nu juist over deze streek te dichten.

Ik kan het hem nu niet meer vragen. Dat is voor een gedicht helemaal niet erg, natuurlijk, gedichten mogen mysterieus blijven. Maar voor de dichter is het droevig. Als klein eerbetoon aan hem, en aan mijn streek die hem overleefde, die mij ook zal overleven, hoeveel ik ook “duren” mag, bij dezen zijn gedicht:

ONDER DE REACTOR

Hier is Holland een scheur in de natuur
waar kale mannen redden wat ze redden.
Hier roddelt de reactor vadsig en
verzuurd over een dorp dat leven wil,
het kustvolk dat maar duurt en duurt.

Wie onder de reactor woont verplant
zijn angst of hij vertrekt. En wie hier werkt
buigt met een machtig brein de bliksem bij,
krijgt onvermoeibaar splijtstof klein.

Avond. Op straat gaan slaafs de lichten aan.
Het is ons brein dat geen defecten duldt
en dorp, Bach, bed, stad, ringweg – alles blijft.

In Petten zijn de duurste huizen grijs.
In Petten spookt het van oneindigheid.

Menno Wigman

’n Tekening van de veerhaven

bootfile den helderDat de veerdienst tussen Den Helder en Texel me aan het hart gaat, bleek vorige week wel, toen ik hier stilstond bij de laatste overtochten van de veerboot Schulpengat. Dat was ’n blogje over nostalgie, over het verleden en mijn eigen herinneringen daaraan. Een week later gaat het vooral over de toekomst van de veerhaven. Want die is nog lang niet zeker.

De veerhaven als probleemgeval

De veerhaven van de Teso ligt in Den Helder, wat natuurlijk logisch is, want dat is de dichtstbijzijnde stad als je van Texel komt. In Den Helder is ook het ziekenhuis, het station, er zijn onderwijsinstellingen en je vindt er net wat meer winkels dan op Texel. Het is voor de eilanders wel praktisch dat ze zo’n stad dichtbij hebben (de andere Waddeneilanden liggen wat dat betreft toch een stuk verder van de noodzakelijke voorzieningen).

Hoe vanzelfsprekend die verbinding ook is, toch gaan er hier en daar stemmen op om de veerhaven te verplaatsen, naar Den Oever bijvoorbeeld. Daar heb je de A7 en dat is lekker praktisch voor Duitse caravans. Of zo. Het klinkt natuurlijk vrij belachelijk, die haven naar daar verplaatsen, waarom zou je het eiland willen afsluiten van het ziekenhuis en andere voorzieningen? Dat het vooral een provocatie is blijkt wel uit het antwoord op die vraag: daar moet dan maar ’n tweede veerdienst voor komen. Tja.

Maar waarom die provocatie? Verderlezen…

De verengelsing van het hoger onderwijs

verengelsingZo af en toe is taal zo nieuwswaardig dat er in het openbaar over wordt gediscussieerd. Dan ben ik er met m’n taalblog in de regel als de kippen bij om ook mijn zegje te doen, want discussies over taal geven m’n schrijverij bestaansrecht. De laatste weken, of maanden al afhankelijk van wie je volgt op Twitter, is er zo’n discussie over de verengelsing van het hoger onderwijs – en toch heb ik er hier nog niks over gezegd. Laat ik dat dan vandaag ‘ns doen.

Opzien tegen verengelsing?

Dat verengelsing onwenselijk is, lijkt voor de tegenstanders ervan vanzelf te spreken. Meestal volstaan ze met wat praktijkvoorbeelden, die inderdaad wel wat belachelijk zijn, en laten de rest aan het oordeel van de lezer over. Als het goed is denkt die lezer dan: nou, die verengelsing, die lijkt me onwenselijk ja. Dat dat voor zo veel mensen vanzelf spreekt is trouwens wel interessant, ik zou zeggen: ook dat is een gegeven, ook dat is een argument. Maar het mag natuurlijk niet het enige zijn.

De argumenten vóór verengelsing, of beter gezegd de argumenten tegen de tegenstanders daarvan, gaan vaak nogal nadrukkelijk over dat sentiment. Dat zou angst zijn, angst voor het vanzelfsprekende, namelijk dat heel de wereld Engels spreekt en dat daar tegenin sputteren nogal achterlijk is. De dingen gaan zoals ze gaan en op de universiteiten gaat het nu eenmaal zo dat de omgangstaal van de wetenschap ook de voertaal in de collegezaal wordt. Ook dat proces is een gegeven, zou ik zeggen, want inderdaad gebeurt dit, niet alleen in Nederland.

Beide argumenten lijken verengelsing als iets te benaderen dat groter is dan wijzelf, als iets om tegen op te zien. Sommigen vinden het een woeker en verzetten zich, anderen leggen zich neer bij het onvermijdelijke. Het lijkt ’n beetje op de discussie over de EU of die over globalisering in het algemeen, dat maakt de discussie ook interessant. Maar ik zou verengelsing toch zo niet zien. Het is uiteindelijk een vrij overzichtelijk verhaal van keuzes maken en ambitie hebben.

Kiezen voor diversiteit

Verderlezen…

Afscheid van de veerboot Schulpengat

De Texelse boot, dat is niet altijd dezelfde boot. Dat heb ik als kind al geleerd. Toen ik nog heel jong was, waren er drie boten: Molengat, Marsdiep en Texelstroom. Tot gisteren waren er ook drie: Schulpengat, Dokter Wagemaker en Texelstroom – maar dan Texelstroom 2, het allernieuwste schip. Gisteren voer de oudste van het actuele drietal, de Schulpengat, voor de allerlaatste keer, zodat er vandaag nog maar twee boten zijn. Van de Schulpengat wilde ik graag afscheid nemen, dus toog ik gisteren naar de veerhaven.

De veerboot en mijn geheugen

Ik werd geboren in 1987, maar echte herinneringen heb ik natuurlijk niet aan mijn eerste jaren. De kleine eendeksbootjes – vaag heug ik ze, maar ik ken ze toch vooral van foto’s. Mijn herinneringen beginnen grofweg met de diensttijd van de Schulpengat en dus is van talloze herinneringen dit schip het decor. Het was dan ook echt nostalgie, die laatste overtocht van gisteren. De donkere salons, de rode stoelen van het rokersgedeelte, de waterkaart op de muur tegenover het buffet, de knoppen bij de deuren en de spiegeltjes die detecteerden of je er door liep… Het was allemaal herinnering. Die spiegeltjes, daar kon je een plakker overheen plakken, dan bleven de deuren openstaan. Wat vonden we onszelf dan grappig.
Verderlezen…

De kindertaal van Siem: de kracht van herhaling

Siem brabbelt er flink op los. Z’n eerste zelfverzonnen woorden verdienen dagelijkse aandacht, aldus Siem, en dus horen we ze de hele dag. Herhalen is het beste oefenen en dus herhaalt hij veel. Toch is er ook progressie, want er zijn trends waarneembaar in welke woorden hij het hardst oefent.

Van elá naar hetta

Siems eerste woordje zei hij al in z’n eerste weken, toen brabbelde hij elá of iets dat daar op leek als hij trek kreeg. Dat woord kreeg mettertijd gezelschap van örö, een woord dat hij met een grote glimlach uit kon spreken, bijvoorbeeld als hij geknuffeld werd. Ook bij örö lag de klemtoon achteraan. Siems kindertaal begon met Franse klemtonen en voor wie er de fantasie voor had, ook met Franse woorden: du lait, heureuxVerderlezen…

Oude reizen: Duitslandreis 2009

Onlangs schreef ik hier over mijn lange reis door het Duitse taalgebied, door de Alpenlanden heen en langs de Oostzeekust. Die reis was in 2010. Een jaar eerder, in de zomer van 2009, was ik ook al naar Duitsland geweest, met hetzelfde gezelschap. Die reis was minder ambitieus, er was ook minder tijd voor. Toch is ze aardig om hier te delen, zeker ook omdat dit een bierreis was.

Goed, als ik reis, dan drink ik altijd wel bier, dat ben ik als bierblogger aan mijn stand verplicht. Ik heb ook regelmatig over de bierculturen in buitenlanden geschreven. De route van deze reis was echter zó bedacht, dat drie belangrijke Duitse biersteden zouden worden aangedaan: Bamberg, Leipzig en Goslar. Bamberg voor het rookbier, natuurlijk, Leipzig en Goslar voor de gose.

’t Is lekker pedant om te zeggen dat ik al gose dronk voor het hip was, maar het is ook wel waar. In 2009 was de belangstelling voor dit friszure bier met koriander en zout minimaal. De twee oorsprongssteden (eerst Goslar, dan Leipzig) waren de enige steden waar je, met enige moeite, aan dit bier kon komen. Dat ik er zelf van wist was helemaal te danken aan Ronald Pattinson, die er in z’n European Beer Guide aandacht aan besteedde. Dat was in die tijden sowieso één van de weinige informatieve sites die ik over traditioneel Duits bier kon vinden. In voorbereiding op de reis voegde ik zelf op Wikipedia artikelen over rookbier en gose toe.

Lang geleden lijkt ’t zo, de vooravond van de inmiddels alweer uitgeraasde bierrevolutie, maar de herinneringen zijn gelukkig vers. De foto’s zijn van de volgende steden: Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.