Categorie Reizen

1
Harderwijk werd verzwolgen
2
Weer in Leuven
3
Een rondleiding in Alkmaar met en zonder mij
4
Terug naar Praag
5
Luxemburg, stad in drieën
6
Macedonisch Skopje
7
Reis naar Friesland
8
Burgerbrug

Harderwijk werd verzwolgen

Harderwijk is ’n lief oud stadje waar je in de praktijk alleen komt als je er toevallig wezen moet, of als je graag dolfijnen lijden ziet, wat ik niet hoop. De trein maakt er een bocht voor en rijdt er dan toch aan voorbij, zo voelt het. Harderwijk ligt ’n beetje halverwege van alles, ook al zeggen ze er zelf graag dat ze in het midden van Nederland liggen. Maar goed, Harderwijk, ik moest er toevallig ‘ns zijn, wat jaren geleden, en toen ’n paar keer nog ’n keer en inmiddels vind ik Harderwijk wel sympathiek.

De charme van Harderwijk is simpel: het is een oud stadje, met pleintjes en geveltjes en klinkers op de straat. Er staat ’n kerk waar van alles mee is misgegaan in de eeuwen voor ons, er staat een universiteit die geen universiteit meer is, er ligt een zee die geen zee meer is en er zijn wat gemiddelde horeca met gemiddelde bieren en gemiddeld personeel – zo zijn veel stadjes in Nederland en dat is prima zo. Harderwijk had ook Culemborg kunnen zijn, of Dokkum, of Sittard, of Medemblik… Nogmaals: ik vind dat allemaal wel sympathiek. Maar mysterieus? Dat had ik Harderwijk nooit gevonden.

Harderwijk oogt half

Tóch is er iets bijzonders aan Harderwijk. Er staat een flink stuk stadsmuur overeind, dat is wel opmerkelijk. Die stadsmuur staat aan de waterkant, aan wat vroeger de Zuiderzee was en nu ’n meer is waar verder niemand echt de naam van weet. De stadsmuur heeft als dijk dienst gedaan, dat weten we wel, en we weten dat de poort aan de waterkant, de Vischpoort, in de tweede helft van de 14e eeuw gereed kwam. Tot zover lijkt er weinig aan de hand – tot je de plattegrond van het oude Harderwijk eindelijk onder ogen krijgt. Verderlezen…

Weer in Leuven

LeuvenVorige week zaterdag was een grauwe dag. De lucht hing als een dikke plak boven het dal, er was geen tint aan, alles was van dezelfde stenige kleur daarboven en in de stad rook het plakkerig, naar mout en naar diesel. De moutgeur was dezelfde als altijd, ik geloof dat ze Leffe brouwden, wat het nog plakkeriger maakte allemaal – het was het weekend vóór InBev die andere brouwreus overnam en vóór een week waarin het alleen maar regenen zou. Ik was weer in Leuven.

De schoonheid van Leuven heb ik de afgelopen jaren meerdere keren opnieuw ontdekt, omdat ze steeds anders is dan je verwacht, en ook wel omdat ze verandert. Het Fochplein is geen Fochplein meer en ik ben geen student. Sommige straten zijn autovrij geworden. Fietsers zijn steeds meer gaan durven en waarschijnlijk ook wel meer gaan mogen. Fiere Margriet is kwijt, ik weet niet waar ze is. Wel werd mij bevestigd, door ’n meisje in een café waar ik ooit elke week wel kwam, dat Kotnet nog steeds traag en raar is, al zal het vast zo traag en raar niet meer zijn als toen ik het nog gebruikte voor internetruzies en onwennige liefde in m’n eentje. Verderlezen…

Een rondleiding in Alkmaar met en zonder mij

Al meer dan tien jaar woon ik nu in Alkmaar. Dat is ’n beetje toevallig zo gekomen, zoals dat voor wel meer Alkmaarders lijkt te gelden, maar met de jaren ben ik wel aan de stad verknocht geraakt – ook al iets dat voor meerdere Alkmaarders geldt. Geef me ongelijk: Alkmaar is ’n mooie, oude stad en er zijn prima voorzieningen. Het is dan wel geen wereldstad, het is er goed toeven, in ieder geval voor mij.

Rondleiding in Alkmaar

Het komt wel ‘ns voor dat ik vrienden of schoonfamilie uit het buitenland ontvang. Hen Alkmaar laten zien is dan natuurlijk wel een verplichting. Mijn rondleiding heb ik inmiddels vaak herhaald en steeds verbeterd: in een uur, haast anderhalf uur kan ik geïnteresseerde bekenden, dan wel beleefde bekenden die interesse veinzen, Alkmaar van binnen en van buiten laten zien, met de mooiste historische verhalen en de grappigste geheimen. Ik ben haast een gids geworden. Verderlezen…

Terug naar Praag

Meisjes van ’n jaar of veertien kunnen soms zo raar verliefd zijn, op een jongen ouder en ver weg, een jongen waarvan je toch zou denken dat zij ook wel weten dat ‘ie onbereikbaar is – wat ze dan ook meestal wel weten. Zulke verliefdheden zijn veilige verliefdheden, verliefdheden waar nooit van wat hoeft te komen, maar die tenminste wel voorzien in de behoefte gewoon een keer verliefd te zijn. ’t Is vertederend en ongevaarlijk. Voor de rest zijn die meisjes dan nog te onzeker.

Toen ik nog veertien was moet ik ook onzeker zijn geweest, zoals iedereen dat op die leeftijd is, jongens ook. Verliefder werd ik er niet van en verder ook niet meisjesachtig, wat grappig zou zijn geweest. Toch denk ik nu dat ik zo’n zinloze, tedere en ongevaarlijke jeugdliefde wel heb gehad. Die liefde was Tsjechië, Praag in het bijzonder, een land waar ik tot twee keer toe bijna op vakantie ging, tot m’n ouders de reis weer annuleerden, omdat zij ook onzeker waren en toch geen veertien meer.

Verderlezen…

Luxemburg, stad in drieën

Vorig weekend was ik in Luxemburg, één nacht maar, nauwelijks twee dagen. Ik was er ook niet voor het eerst, het was geen eerste kennismaking die te vluchtig was. Als terugkeren voelde het toch ook niet, daarvoor ken ik Luxemburg niet goed genoeg, al heb ik toch nog geprobeerd oude herinneringen na te reizen, wat maar een beetje lukte. Goed, ik was er, daar gaat het toch maar om.

Luxemburg is een land en vooral ook een stad; naar die stad is het land genoemd. “Kleine burcht” heette die stad eigenlijk, we hadden haar in het Nederlands nog wel Luttelburg kunnen noemen, en als het een dorp in Groningen was geweest Lutjeborg. Hoe het precies Luxemburg geworden is wil ik liever niet weten, daar moet veel verwarring en slechte uitspraak aan vooraf zijn gegaan en daar ben ik gevoelig voor.

Foto’s van Luxemburg

  • Luxemburgs

Verderlezen…

Macedonisch Skopje

SkopjeToen ik de term nationalisme voor het eerst uitgelegd kreeg, werd hij in de context van de 19e eeuw gezet. Napoleon was net weg, men verlangde ‘ns wat naar vroeger, romantiek en zo, en daar vloeide dan trots op de eigen natie uit voort. Eigenlijk klopt die volgorde niet helemaal: het gevoel bestond natuurlijk al veel langer, alleen de natiestaten waren nieuw. Waar men eerst trots was op de eigen regio – waar de gemiddelde burger toen nooit vandaan verhuisde – daar kwam er in de 19e eeuw de nationale trots bij, of zelfs voor in de plaats. Het vaderland, ineens bestond het, en iedereen deed maar alsof het altijd al had bestaan.

Als we er nu op terugkijken dan is het maar koddig, dat 19e eeuwse nationalisme. Ook Nederland, nog maar net met tegenzin los van België geraakt, had symbolen nodig. Rembrandt van Rijn werd opgepoetst: onze nationale schilder. Vondel, Hooft en Bredero, die mochten we nooit vergeten. Er kwamen straten en parken en op de pleinen werden standbeelden neergepoot. Er werden liederen geschreven, samen zongen we voor het nieuwe vaderland. Maar verder viel het nogal mee in Nederland, de pompeuze monumenten die in Brussel werden gebouwd waren nog veel nationalistischer. Een jubelpark met een triomfboog, een gigantisch justitiepaleis, zuilen, lanen, beelden: alles voor het Belgisch vaderland. Verderlezen…

Reis naar Friesland

Sneek, ik zag er niks van. Door de ramen van de bus viel niet te kijken. Alles was van water wit. Over de voorruit schoven ruitenwissers. Waar was ik? Was dit al het station? Niemand zei mij iets, ik vroeg niemand iets. Kabaal van regen en wind, de motor van de bus, het belletje van iemand die op “stop” drukte, verder niets.

In Sneek moest ik wezen. Ik had er een afspraak met een Friese dichter. “Een zonderling,” hadden ze gezegd, “hij is de meest paranoïde dichter van Friesland.” Zijn onbereikbaarheid paste bij dat gerucht. Hij woonde in een donkere stad. Zware wolken werden er door zuilen water omhooggehouden. Een stad zonder kerktorens, zonder pleinen. Sneek moest per ongeluk zijn ontstaan.

Een mooi meisje verliet de bus. Verderlezen…

Burgerbrug

Nog is de langste dag niet voorbij. Hier is water, dat aan de kim verdwijnt in de dijk, in de duisternis, zo, dat het geen water meer is. Aan de duinen is nog licht, daar is de zee, daar is zon. Tussen zon en duisternis en tussen zee en dijk is de grote sloot, die gewoon zo heet. Hier is Burgerbrug.

BurgerbrugAan Burgerbrug is eigenlijk alles al voorbijgegaan, behalve de langste dag. Soms rijdt er een auto, langzaam, met koplampen aan. Iemand heeft z’n brommer opgevoerd. Daar staat een man, aan de vaart, naast zijn hond.
Zie Burgerbrug. Zee is er niet, al kun je buiten soms ruiken dat de lucht zout is, en roesten auto’s er veel te snel. Water is er wel, maar dat water is recht en duister. Het riet is gekamd, gemaaid, gestreken. De gemeente stuurt daar mensen voor, de dorpelingen blijven er maar vandaan, van het riet.
De grote sloot. Een hond die kakt, en dan snuift.

Wigman dichtte: “Hier is Holland een scheur in de natuur.” Veel meer dan die regels en dat gedicht, dat eigenlijk over Petten gaat, heeft dit dorp, dit land, de Nederlandse literatuur niet gegeven. Nescio schreef eens dat hij in Enigeburg was geweest, en later in Zijpersluis, bij het veer, dat nu niet eens meer bestaat. Hij is die ene dag vast door Burgerbrug gekomen, onderweg. Maar dat staat niet geschreven.
Er komt geen weg in Burgerbrug, geen trein, geen mens. Burgerbrug is niet eens het eindpunt van de lijn, het is zelfs niet Visvliet of Lahringen, Burgerbrug wordt simpelweg overgeslagen. Er is geen stoplicht in Burgerbrug.
Burgerbrug staat nergens.

Ik woon niet in Burgerbrug. Wat zou ik daar nog wonen. Maar in mij staat Burgerbrug. Het is mijn dorp. Ik leerde er kijken en schrijven en tekende er wel duizend keer die grote sloot, de brug, een lege kroeg. Ik schold er soms. Ik leefde daar. Zo gleed toch niet alles weg en werd Burgerbrug herinnering, mijn herinnering, en dat is toch wat waard.
Burgerbrug bestaat. Dat gaat niet voorbij.

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.