Categorie Taal

1
’n Uitstapje naar ’t Harlingers
2
De kindertaal van Siem: Franse klanken
3
Van gender en geslacht
4
De kindertaal van Siem: uit de bus
5
Genderneuttaal
6
Het Tessels van Keyser – en Karsten
7
De kindertaal van Siem: korenbloemenblauw
8
Plat-Amsterdams in de ring van de geschiedenis
9
De kindertaal van Siem: de eerste dagen
10
Hélène Devos en het kleine Nederlands

’n Uitstapje naar ’t Harlingers

Met enige regelmaat schrijf ik hier over dialect. Meestal over het Tessels, want daarnaar doe ik onderzoek. Deze maand permitteerde ik ’n uitstapje naar de mooiste stad van Friesland: ik schreef over het Harlingers. Het dialect van de stad van mijn opa, híj was ’n ouwe seun, zoals dat daar heet: ’n geboren Harlinger. Hoewel ik het dialect nooit van ‘m leerde, was dit uitstapje er toch ook in zijn nagedachtenis (want hij kon het wel spreken).

Wat ik in mijn onderzoekje wilde laten zien is dat het Harlingers niet zomaar Stadsfries is. Het is geen Leeuwarders-aan-Zee, nee, het is een Waddentaal. Het is Tesselser dan de rest. Of Vlielandser, Midslandser, Amelandser – kies maar. Bildtser ook. Misschien ook wel, maar dat zullen ze in Harlingen minder graag horen, ’n tikje Frieser. Waar het me om gaat: de ie.

Van ij en stem

Verderlezen…

De kindertaal van Siem: Franse klanken

Inmiddels is Siem 10 weken. Zijn taal groeit elke dag. In mijn eerste bericht over Siems kindertaal schreef ik al dat het soms lijkt, alsof hij Frans spreekt. Als hij om melk vraagt zegt hij iets dat klinkt als lait. Dat Frans is inmiddels verder uitgebreid: als zoonlief tevreden is (wat hij gelukkig vaak is), dan zegt hij “örö”, /œ’ʀœ/, dat doet denken aan het Franse heureux.

be10-185Dat Frans is natuurlijk wel toepasselijk, want Siem heeft Belgische wortels. We zeggen wel eens gekscherend dat hij een waalse baby is. Hij zal z’n prille Frans vast niet volhouden, thuis krijgt hij immers Nederlands mee, maar mooi is het toch. Al kun je ook zeggen: dat Frans is kennelijk maar ’n baby-taal, veel stelt het niet voor dan. Een uitleg die het in Vlaanderen goed doet.

Vanochtend breidde Siem z’n palet medeklinkers uit met /ɡ/. Dat is de stemhebbende k van zakdoek. Die g- hoor je ook veel in het Frans (in garçon, bijvoorbeeld). Waar hij met /l/ begon, en later de /ʀ/ leerde (een stemhebbende Hollandse ch, eigenlijk, maar ook de Franse r), beide “vloeiende” klanken, daar is er nu dus ook een plofklank. Veel gebruikt Siem z’n Franse g nog niet, overigens, het was misschien meer een toevalstreffer. Maar ik heb vertrouwen, nu zullen andere plofklanken wel gaan volgen, tot Siem ook “papa” zeggen kan. Dat is dan Frans en Nederlands tegelijk.

Van gender en geslacht

In aanvulling op mijn eerdere blog over genderneutraal taalgebruik, is het misschien goed ook kort iets over die woorden gender en “geslacht” te zeggen. Dat woordje gender is er, volgens de pleitbezorgers van dat woord, omdat “geslacht” de lading niet dekt. Dat lijkt mij een verkeerde inschatting.

Gender is natuurlijk een Engels woord. Ook de argumenten voor gender komen uit het Engels. In die taal is het namelijk zo dat er twee woorden voor “geslacht” zijn, sex en gender, en die twee woorden hebben elk hun eigen connotatie. Sex is ons woord “sekse”, het slaat specifiek op het biologische geslacht. Gender is dan “hoe je je voelt”. Het is “geslacht” in de zin: daar hoor ik bij. Ook het woordgeslacht heet in het Engels bijvoorbeeld gender. Het gaat om een indeling die niet zuiver biologisch is.

De Nederlandse vertaling voor gender is “genus”. Dat woord kom je echter vrijwel uitsluitend in wetenschappelijke teksten tegen, ook wel in taalkundige (waar “genus” dan dus “woordgeslacht” betekent). Ook “sekse” is trouwens wat beperkt in gebruik. Dat komt omdat we een algemener woord hebben, “geslacht”, dat beide betekenissen kan hebben. En meer: als “geslacht” íets betekent, dan is het wel: “daar waar je bij hoort”. Ook een familie heet bijvoorbeeld wel “geslacht” (“het geslacht Plaatsman”, bijvoorbeeld). “Geslacht” heeft dus niet alleen een biologische betekenis, het is eerder omgekeerd: “geslacht” is eerder gender dan sex.

In het Nederlands is er dus keuze uit drie woorden, maar van die drie is “geslacht” het meest neutrale.

De kindertaal van Siem: uit de bus

Nu zit ik in de bus van Leeuwarden naar Alkmaar. Ik vaar over de Friese landerijen en dadelijk zal ik als ’n huiskamer in de nacht de Afsluitdijk over gaan. Boalsert, de mooiste stad die uit deze landerijen oprijst – uit wat voor landerijen dan ook, nog nooit heb ik ’n stad zo mooi uit ’t land komen zien – heb ik net achter mij gelaten. Voor mij de blauwgrijze muur van de harde lucht over zee; roze het zonnelicht, steeds donkerder groen de greiden

Ik mis Siem.

Kindertaal over de telefoon

Zoonlief telefoneerde zojuist met mij. Dat wil zeggen, moederlief zette de telefoon op overluid en legde ’t ding dan in de wieg. Zo hoorde Siem mijn ingeblikte stem en ik vertelde over de greiden en over hoe mooi Boalsert uit die velden oprees, als ’n oude boot op ’t droge. Hij hoorde ’t en kreet: mijn stem werd herkend. Nu ja, mijn stem? Ik zal toch ingeblikt geklonken hebben. Het zal mijn dictie geweest zijn, mijn accent.

Terug hoorde ik Siems klinkers. Het zijn er steeds meer. Geronde voorklinkers, veel talen bestaan zonder, maar Siem beoefent ze. Eu en uu vervangen de aa van z’n eerdere „alá”. In fonetisch schrift zouden het zelfs meer klinkers zijn geweest. maar oe en oo ontbreken nog, hoe normaal zulke klinkers in andere talen ook zijn. Behalve -l- zegt hij ook -r-, in verschillende varianten. Andere medeklinkers zullen vast gauw volgen. Daarover bericht ik dan hier.

De kindertaal van papa

Ondertussen stel ik mij vragen over mijn eigen taalgebruik. Zomaar zeg ik dingen dubbel. Ga je lachen, Siem? wordt direct gevolgd door: Jij gaat lachen, hè, Siem?. En meer van dat. Steeds zeg ik wat ik hem zeggen wil twee keer. Dat is een natuurlijke reflex: het bevordert het kindertaalgevoel als je zinnen herhaalt, en dus doe je dat ook. Vanzelf. Als ik wijzer zou wezen zou ik ’t denk ik niet doen. Verderlezen…

Genderneuttaal

genderneutraalHet staat niet op zichzelf en het zal allemaal ook wel ’n beetje aan de komkommertijd liggen, er was in ieder geval volop tijd voor bij de NOS, maar er is volop commotie over taal vandaag. Op Twitter heet zulks #ophef. Het gaat natuurlijk om de genderneutrale taal, die van “Dames en heren” nu zomaar Beste reizigers maakt. Hoe durft/durven de NS & onze beschaving gaat eraan, van die dingen.

Beste reizigers

Om maar bij het begin te beginnen: met beste reizigers lijkt mij niets mis. In Duitsland worden reizigers ook als Fahrgäste aangesproken en daar heb ik me nog nooit vragen bij gesteld. Het onderdeel van de NS dat zich met personenvervoer bezighoudt heet ook “NS Reizigers” en dat is prima, het zegt wat er bedoeld wordt. Hoewel “Dames en heren” natuurlijk een heel conventionele aanspreekvorm is, lijkt het me niet minder conventioneel om “Beste reizigers” te zeggen. ’n Beetje in de trant van “geachte aanwezigen”, “beminde gelovigen”, “dag kijkbuisvriendjes”.

Nou denk ik ook niet dat dáár de wrevel zit. Die zit eerder in de uitleg van de NS zelf. Met enige triomf – memorabele marketing – kondigt NS aan dat voortaan iedereen meedoet. Dat is blijkbaar nu niet zo en morgen trouwens ook niet, want dat Beste reizigers wordt pas over ’n paar maanden ingevoerd. Impliciet zegt de NS nu: “dames en heren” is discriminerend, maar we passen het pas aan na Sinterklaas. Daar kun je hypocrisie in zien, en je kunt er ook wel ’n rare kritiek in vermoeden, namelijk dat wie nog “dames en heren” zegt eigenlijk discrimineert. Verderlezen…

Het Tessels van Keyser – en Karsten

De Heilige Schrift voor ieder die zich met ’t Tessels bezighoudt is natuurlijk het woordenboek van S. Keyser, uit 1951. Destijds de eerste echte studie naar de eilander taal, met woorden en uitdrukkingen en ook teksten in het Tessels. Er zijn maar weinig exemplaren van, er ééntje kopen maakt je in de regel honderden euro’s lichter, als je niet al door ’n overijverige eilander overboden wordt.

  • dscn1665
  • dscn1663-2
  • Tessels dialect

Gisteren vond ik ’t online voor vijf tientjes. “Als dat maar geen verfomfaaid exemplaar is,” dacht ik nog, toen ik ’t zonder veel aarzelen bestelde. Vandaag werd ’t bezorgd en nee: het is in uitstekende staat. Maar het is meer dan dat! Op de eerste pagina staat de naam van de vorige eigenaar, G. Karsten. Hij was de eerste die ooit een wetenschappelijke studie naar het West-Fries verrichtte. Dat geeft aan deze aankoop extra glans.

De kindertaal van Siem: korenbloemenblauw

korenbloemenblauwOnregelmatig houd ik op dit blog de talige ontwikkeling van mijn zoon Siem bij. Siems kindertaal is sinds het vorige blog nog niet geweldig veel rijker geworden, maar hij heeft nu in ieder geval al meer taal gehóórd en ook dat is belangrijk voor zijn taalbrein. We weten dat kinderen eerst al heel veel leren verstaan voor ze beginnen te spreken. Zoals Siem onze ogen volgt als we naar iets kijken, zo zal hij gaandeweg ook onze woorden volgen, nog lang voor hij ze zelf kan zeggen.

Maar wat voor woorden hoort hij zoal? Heel normale, natuurlijk. “Papa”, “mama”, “eten”, “slapen”. En, in verschillende tonen van verontwaardiging, alles wat met de inhoud van zijn luiers te maken heeft. Maar ook hoort hij het volgende woord:

korenbloemenblauw

Dat woord zingt zijn moeder hem voor, het hoort bij het liedje van de drie kleine kleutertjes. Dat liedje gaat zo: Verderlezen…

Plat-Amsterdams in de ring van de geschiedenis

Gisteren trof ik in de kringloopwinkel een boekje over het Amsterdams. Erg goed zag dat boekje er niet meer uit, de vorige eigenaar moet er weinig van gehouden hebben, maar ík was er blij mee. Het valt namelijk nog niet mee om bruikbare bronnen voor het Amsterdamse dialect te vinden, maar dit boekje, uit de reeks Taal in Stad en Land, geeft een goed overzicht en het vat ook bondig samen wat die bronnen zoal over het Amsterdams te melden hebben.

dscn1161Vanmiddag sloeg ik Het Parool open en daar was het toeval dan: een artikel over het zieltogende plat-Amsterdams. Zo had mijn vondst van gisteren nog nieuwswaarde ook. Ik kon er wel over gaan bloggen, vond ik. En zo geschiedde.

Oud Amsterdams en het Tessels

Mijn bijzondere interesse voor het dialect van onze hoofdstad komt voort uit mijn nog grotere interesse voor het Tessels, de taal van mijn familie, waar ik momenteel onderzoek na doe (zie Academia voor ’n voorpublicatie). Van het Tessels weten we dat het door het vroegere Amsterdams moet zijn beïnvloed. De eilanders hadden vroeger ook intensief contact met Amsterdam. Een goed beeld van het 17e eeuwse Amsterdams zou me dan ook helpen bij mijn Tesselse studie. Verderlezen…

De kindertaal van Siem: de eerste dagen

Tien dagen geleden werd ik vader. Mijn zoon heet Siem en ik vind álles interessant aan hem. Veel vind ik interessant dat maar beter binnenskamers of -luiers kan blijven, maar de kindertaal van Siem is vast ook voor anderen relevant. De lezers van mijn blog vertel ik dan ook graag over Siems prille taalontwikkeling, van het eerste schreien tot de vroegwijze volzinnen die vast later komen.

Siems kindertaal bij thuiskomst

kindertaalToen Siem werd geboren huilde hij niet eens, hij brabbelde en snikte, eerst onrustig, toen kalm net onder zijn moeders gezicht. De nacht na zijn geboorte sliep hij nog in het ziekenhuis, de volgende dag zou hij thuiskomen in een thuis dat hij niet eens kende. Daar was ik en ik boende er, ik versierde de kamer en plakte zijn naam op de deur: vol verheuging wachtte ik op de auto van de vriendin die moeder en zoon zou rijden. En toen was Siem thuis.

Honger heeft een baby die eerste uren nog niet echt. Een pasgeborene heeft reserves, eten doet ’t kind dan nog vooral om de melkproductie bij z’n moeder op gang te brengen. Er was dus eerst ook nog helemaal geen taal bij Siem. Maar die eerste nacht riep hij voor het eerst luid om eten. En dat deed hij meteen met een woord, een woord dat ik de hele week ben blijven horen. In fonetisch schrift zou ik dit woord zo noteren:

[aˈlæ]

De eerste, onbeklemtoonde /a/ kan soms naar een middenklinker neigen, ongeveer /ə/; soms is het dezelfde klinker als de /æ/ ná de /l/. Het woord zou men ook als “alae” kunnen spellen, of, voor wie in de kindertaal een religieuze boodschap vermoedt, als “allah”.

De taalkunde achter alae

Dit alae is geen universeel kinderwoord, elke zuigeling heeft zo z’n eigen hongerhuiltje en lang niet elke zuigeling articuleert zo duidelijk een /l/. Maar toch is Siems eerste woord toch weer geen héél grote verrassing. Verderlezen…

Hélène Devos en het kleine Nederlands

’n Oude Vlaamse uitdrukking, die mij door allerlei toevalligheden al dikwijls ter ore gekomen is, luidt: bijt niet de hand die u voedt. Ze wil zeggen: ga niet in tegen diegene, die je kost betaalt. ’n Waarheid natuurlijk; ik stoot als tekstschrijver mijn opdrachtgevers liever ook niet voor ’t hoofd. Maar om ’n andere reden dacht ik dit weekeinde nog ‘ns aan die uitdrukking.

Vlaanderen.svgDie reden was Hélène Devos. Hélène Devos is een actrice, één met krullen en grote ogen, volgens Het Parool toch heus van ’n uitzonderlijk type. Ze komt uit België, ik vrees dat zij vindt dat ze uit Vlaanderen komt. In Het Parool las ik over Hélène Devos. Ze liet zich er interviewen en bleek openhartig. Maar vooral zei zij – dat maakte mij schrijvende – dit:

Ik wil geen Nederlands kindje met een Hollands accent.

Verderlezen…

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.