Categorie Taal

1
Het vijfde beste station
2
Zelf op zoek naar een taal om in te zingen
3
Tessels aan Den Hoorn
4
De verengelsing van het hoger onderwijs
5
Proeven van taal: het soort die
6
Over streektaalgrenzen heen
7
Proeven van taal: het zojuist gepresenteerd akkoord
8
Proeven van taal: Had bij de NOS
9
’n Uitstapje naar ’t Harlingers
10
De kindertaal van Siem: Franse klanken

Het vijfde beste station

Toen ik, onderhand alweer ruim tien jaar geleden, als Nederlander in België kwam wonen, moest ik aan een hoop taalverschijnselen wennen. Eén van de dingen die ik noteerde was dat Nederlandstalige Belgen niet “de op vier na beste” zeiden, maar: de vijfde beste. Wat natuurlijk wel zo economisch is, het scheelt heel wat lettergrepen en misschien klinkt “de op vier na beste” zelfs wel wat kinderachtig – ik vond het een prima vorm. Maar ja, het was vast Franse invloed, en anders wel Engelse, want in het Engels zeg je ook the fifth best. Dat maakte het toch minder mooi.

Nu vele jaren later zijn wel meer Vlaamse eigenaardigheden in Nederland gewoon geworden, vooral, misschien wel uitsluitend, als die eigenaardigheden ook Engels zijn. Voor taalcontact is niemand ongevoelig en we horen nu eenmaal heel veel Engels. Het verbaasde me dan ook nauwelijks toen ik deze tweet voorbij zag komen:

Het AD schrijft hier “de vijfde beste”. Nou zijn al onze kranten inmiddels wel op de één of andere manier Belgisch, ook iets wat de voorbije tien jaar is gebeurd, maar dit artikel moet toch wel in Rotterdam geschreven zijn. De vorm is inmiddels ook bij ons gewoon genoeg voor krantenkoppen. Zou iemand die nu, zoals ik toen, in België ging studeren nog die notities maken die ik toen maakte? Ik betwijfel het.

Zelf op zoek naar een taal om in te zingen

Het dialect van Texel, het Tessels, staat volop in de belangstelling. Ik doe daar ook wel erg mijn best voor, om dat dialect weer onder de aandacht te brengen, maar het aardige is: ik ben niet de enige die daar zijn best voor doet. De Historische Vereniging Texel wist met de reeks dialectvoorstellingen Echt op sien Tessels de juiste snaar te raken en in navolging daarvan is er nu een bijzonder boek verschenen, Brief uut Eierlând, dat zich laat lezen als een poëtische zoektocht naar het wezen van dit dialect.

Lees verder op Neerlandistiek.nl

Tessels aan Den Hoorn

Vrijdag 9 februari vertelde ik op Texel over mijn onderzoek naar het eilander dialect, het Tessels, tijdens een door het Texelfonds georganiseerde avond waarbij ook anderen vertelden over hun werkzaamheden met betrekking tot het eiland. Dat deden we gewoon in het Nederlands, maar soms schemerde er toch wat Tessels op de achtergrond. In mijn eigen spreektijd probeerde ik kort en bondig duidelijk te maken wat ik nou eigenlijk doe, met dat “onderzoek naar het Tessels”, want wat onderzoek ik nou helemaal? Hier op mijn blog een uitgeschreven versie van mijn verhaal.

Onderzoek en interpretatie

Er is naar het Tessels al best veel onderzoek gedaan. Zo zijn er drie woordenboeken, één uit de jaren 50 door S. Keyser en twee moderne door Gelein Jansen. In die woordenboeken zijn behalve eilander woorden ook talloze eilander zegswijzen, gedichtjes en grapjes opgetekend, zodat ze een prachtige dwarsdoorsnede van het Tessels geven.

Behalve woordenboeken zijn er ook verschillende veldonderzoeken, uitgevoerd door bekende taalkundigen als Heeroma en Jo Daan. Net als de meeste andere Nederlandse en Vlaamse dialecten is het Tessels door de jaren heen systematisch beschreven door medewerkers van het legendarische Meertens Instituut. Aan stof geen gebrek, dus. En dan zijn er ook nog verhalen in het Tessels, brieven in het Tessels, veldnamen in dialect, familienamen – allemaal is het onderzocht.

Wat zou ik daar nou aan toevoegen? Eigenlijk niets. Ik stel geen nieuw onderzoek in. Wat ik doe is al die beschikbare gegevens bij elkaar brengen en interpreteren. Ik schrijf een Tesselse grammatica en ik schrijf over de historische ontwikkeling van de eilandtaal, ik leg verbanden met andere dialecten en met het verleden, om zo een compleet portret van het Tessels te kunnen schilderen. Hoe dat portret eruitziet zal ik concreet proberen te maken tijdens een wandeling door Den Hoorn, het mooie dorp waar het Texelfonds de avond organiseerde. Verderlezen…

De verengelsing van het hoger onderwijs

verengelsingZo af en toe is taal zo nieuwswaardig dat er in het openbaar over wordt gediscussieerd. Dan ben ik er met m’n taalblog in de regel als de kippen bij om ook mijn zegje te doen, want discussies over taal geven m’n schrijverij bestaansrecht. De laatste weken, of maanden al afhankelijk van wie je volgt op Twitter, is er zo’n discussie over de verengelsing van het hoger onderwijs – en toch heb ik er hier nog niks over gezegd. Laat ik dat dan vandaag ‘ns doen.

Opzien tegen verengelsing?

Dat verengelsing onwenselijk is, lijkt voor de tegenstanders ervan vanzelf te spreken. Meestal volstaan ze met wat praktijkvoorbeelden, die inderdaad wel wat belachelijk zijn, en laten de rest aan het oordeel van de lezer over. Als het goed is denkt die lezer dan: nou, die verengelsing, die lijkt me onwenselijk ja. Dat dat voor zo veel mensen vanzelf spreekt is trouwens wel interessant, ik zou zeggen: ook dat is een gegeven, ook dat is een argument. Maar het mag natuurlijk niet het enige zijn.

De argumenten vóór verengelsing, of beter gezegd de argumenten tegen de tegenstanders daarvan, gaan vaak nogal nadrukkelijk over dat sentiment. Dat zou angst zijn, angst voor het vanzelfsprekende, namelijk dat heel de wereld Engels spreekt en dat daar tegenin sputteren nogal achterlijk is. De dingen gaan zoals ze gaan en op de universiteiten gaat het nu eenmaal zo dat de omgangstaal van de wetenschap ook de voertaal in de collegezaal wordt. Ook dat proces is een gegeven, zou ik zeggen, want inderdaad gebeurt dit, niet alleen in Nederland.

Beide argumenten lijken verengelsing als iets te benaderen dat groter is dan wijzelf, als iets om tegen op te zien. Sommigen vinden het een woeker en verzetten zich, anderen leggen zich neer bij het onvermijdelijke. Het lijkt ’n beetje op de discussie over de EU of die over globalisering in het algemeen, dat maakt de discussie ook interessant. Maar ik zou verengelsing toch zo niet zien. Het is uiteindelijk een vrij overzichtelijk verhaal van keuzes maken en ambitie hebben.

Kiezen voor diversiteit

Verderlezen…

Proeven van taal: het soort die

Waar gehakt wordt, vallen spaanders. ’n Taalfout is dan ook best te vergeven, zeker als je weet dat iemand veel moet schrijven en nog snel ook – journalisten moeten nu eenmaal heel wat hakken. Tegelijk slaat ook de kritische lezer de plank wel ‘ns mis. Dan lees ik iets waarvan ik denk: “hé, dat is fout”, om meteen daarna alweer te bedenken: “nee, toch niet, het lijkt maar zo.” Vandaag gebeurde het allebei: ik vergiste me en zag tegelijk tóch een taalfout.

woordgeslacht

Het gaat om bovenstaande zin. “Het merkwaardige is dat de nieuwe apensoort meer lijkt op het soort die leeft op Borneo,” schrijft de NOS, en al lezende bleef mijn oog hangen op “het soort”. Ja, dat kan ook, ik was me er meteen wel van bewust: “het soort” is niet fout. Toch had ik “de soort” verwacht. Beide versies zijn correct, tot zover is er dus eigenlijk juist geen probleem, ik was zelf overijverig.

Maar dan: die. Er staat: “het soort die”. Dat gaat toch zeker niet, je kunt naar een het-woord alleen met dat verwijzen en nooit met die. Hier is er dus toch ’n fout in het stukje geslopen, een fout die tegelijk lijkt te spelen met mijn eigen verwarring: is het nu “de” of “het soort”? Alsof de journalist gedacht heeft: ik doe het maar gewoon allebei, ik schrijf “het soort die”. Volgende keer “de soort dat”?

Over streektaalgrenzen heen

Als bierliefhebber bezoek ik regelmatig bierfestivals, als thuisdialectoloog voortaan ook taalconferenties. Gisteren was ik in Amsterdam voor een streektaalconferentie – dat is een soort festival met in plaats van bier lezingen, en in plaats van bierliefhebbers taalkundigen om mee te praten. Voor mij toch wel gefundenes Fressen, zoiets. Ik heb er ′n welbestede dag gehad.

De titel van de conferentie luidde: De wondere wereld van streektaalgrenzen en over de grenzen tussen dialecten, en over de grenzen tussen taal en dialect, gingen de lezingen, die werden afgesloten met een debat.

streektaalconferentieZoeken naar streektaalgrenzen

Het ochtendprogramma was gevuld met lezingen over dialectverschijnselen en hun verspreiding, met daarbij de vraag of die verschijnselen harde streektaalgrenzen konden opleveren. De actualiteit van het Catalaanse referendum gaf die vraag nog wat welkome urgentie. Kun je op basis van wat taalverschijnselen werkelijk grenzen trekken? Ja, je kunt kaarten tekenen, met isoglossen, met kruisverbanden, Wilbert Heeringa van de Fryske Akademy liet er prachtige zien. Maar zijn dat nu echt de taalgrenzen zoals we die voelen?

In de lezing van Jos Swanenberg werd ′n mooi praktijkvoorbeeld gegeven uit Noord-Brabant. De dialectkaart van die provincie, getekend door de grootmeester Weijnen, bestaat uit een wirwar van dialectgrenzen. De meeste van die dialectgebieden delen tenminste de kenmerken van het Brabants (even los van wat die zijn), maar er zijn twee uitzonderingen. In Willemstad en omgeving worden dialecten gesproken die eerder Hollands dan Brabants zijn, en in Budel wordt, als we naar de kenmerken kijken (bv. toononderscheid, ich voor „ik”) een Limburgs dialect gesproken. Toch ervaren de heemkundigen uit Budel hun dialect nog als Brabants en ook de provincie noemt álle dialecten in haar verzorgingsgebied Brabants. Is de dialectgrens dan louter een politieke? Verderlezen…

Proeven van taal: het zojuist gepresenteerd akkoord

Er is een regeerakkoord! Tegelijk is er ook interessante taal bij de NOS:

bijvoeglijk-naamwoord

“Het zojuist gepresenteerd akkoord”, daar ontbreekt voor mijn aanvoelen een -e. Ik zou zeggen: “het zojuist gepresenteerde regeerakkoord”. Nu gaat het om heel vers nieuws, dus dit kan een slordigheidje zijn; dat is de NOS natuurlijk vergeven. Maar er kan ook meer aan de hand zijn.

Sterke en zwakke bijvoeglijke naamwoorden

In het Nederlands eindigen bijvoeglijke naamwoorden meestal op een -e, tenzij ze tussen “een” en een onzijdig woord staan: “een mooi huis”, “een lang verhaal”, “een zojuist gepresenteerd regeerakkoord”. Ook als er helemaal geen lidwoord is, heeft het bijvoeglijk naamwoord deze vorm, maar alleen voor het-woorden: “Mooi huis hoor,” zeg je, maar ook: “mooie fiets.” Verderlezen…

Proeven van taal: Had bij de NOS

’n Taalobservatie duurt zo lang als de verwarring over een zin duurt. Neem nu dit nieuwsfeitje, over de Australische politie (rechts):

taal-bij-NOS

Ik las dat eerst anders. “De politie had de site kunnen overnemen,” voor mij betekent dat: ze hadden de gelegenheid, maar ze hebben het niet gedaan. “Hadden” in combinatie met “kunnen”, dat gebruik ik eigenlijk altijd in die betekenis: het kón, maar het gebeurde niet. Hier had een eenvoudige verleden tijd volstaan (“kon de site overnemen”), of een combinatie met “heeft” (“heeft de site kunnen overnemen”).

Dat bracht twee recente artikelen op Neerlandistiek.nl in herinnering, beide van de hand van Marc van Oostendorp, beide over een sonnet. Het eerste, over Nijhoffs De moeder en de vrouw, ging over het gebruik van de verleden tijd om ’n irrealis uit te drukken, waar ook het “had” dat ik meende te herkennen onder zou kunnen vallen (O, dat daar mijn moeder voer). Het tweede over een gedicht van Van Ostaijen, waarbij Van Oostendorp opmerkte dat eerst de voltooid tegenwoordige tijd werd gebruikt om over te gaan op de gewone verleden tijd, iets wat in dit nieuwsartikel ook had kunnen helpen (Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht)

En dan had ik het hier ook nog over “kunnen overnemen” kunnen hebben, dat zou ik als Nederlander eerder opsplitsen: “over kunnen nemen”, zodat het werkwoordelijke deel bij elkaar staat. Maar een Vlaming zou daar anders over denken, daar is “kunnen overnemen” het meest gebruikelijk.

’n Uitstapje naar ’t Harlingers

Met enige regelmaat schrijf ik hier over dialect. Meestal over het Tessels, want daarnaar doe ik onderzoek. Deze maand permitteerde ik ’n uitstapje naar de mooiste stad van Friesland: ik schreef over het Harlingers. Het dialect van de stad van mijn opa, híj was ’n ouwe seun, zoals dat daar heet: ’n geboren Harlinger. Hoewel ik het dialect nooit van ‘m leerde, was dit uitstapje er toch ook in zijn nagedachtenis (want hij kon het wel spreken).

Wat ik in mijn onderzoekje wilde laten zien is dat het Harlingers niet zomaar Stadsfries is. Het is geen Leeuwarders-aan-Zee, nee, het is een Waddentaal. Het is Tesselser dan de rest. Of Vlielandser, Midslandser, Amelandser – kies maar. Bildtser ook. Misschien ook wel, maar dat zullen ze in Harlingen minder graag horen, ’n tikje Frieser. Waar het me om gaat: de ie.

Van ij en stem

Verderlezen…

De kindertaal van Siem: Franse klanken

Inmiddels is Siem 10 weken. Zijn taal groeit elke dag. In mijn eerste bericht over Siems kindertaal schreef ik al dat het soms lijkt, alsof hij Frans spreekt. Als hij om melk vraagt zegt hij iets dat klinkt als lait. Dat Frans is inmiddels verder uitgebreid: als zoonlief tevreden is (wat hij gelukkig vaak is), dan zegt hij “örö”, /œ’ʀœ/, dat doet denken aan het Franse heureux.

be10-185Dat Frans is natuurlijk wel toepasselijk, want Siem heeft Belgische wortels. We zeggen wel eens gekscherend dat hij een waalse baby is. Hij zal z’n prille Frans vast niet volhouden, thuis krijgt hij immers Nederlands mee, maar mooi is het toch. Al kun je ook zeggen: dat Frans is kennelijk maar ’n baby-taal, veel stelt het niet voor dan. Een uitleg die het in Vlaanderen goed doet.

Vanochtend breidde Siem z’n palet medeklinkers uit met /ɡ/. Dat is de stemhebbende k van zakdoek. Die g- hoor je ook veel in het Frans (in garçon, bijvoorbeeld). Waar hij met /l/ begon, en later de /ʀ/ leerde (een stemhebbende Hollandse ch, eigenlijk, maar ook de Franse r), beide “vloeiende” klanken, daar is er nu dus ook een plofklank. Veel gebruikt Siem z’n Franse g nog niet, overigens, het was misschien meer een toevalstreffer. Maar ik heb vertrouwen, nu zullen andere plofklanken wel gaan volgen, tot Siem ook “papa” zeggen kan. Dat is dan Frans en Nederlands tegelijk.

Wat hier staat, is van Marcel Plaatsman - van mij dus. Ik heb het geschreven, anders stond 't hier niet.